4-01-10 De startbaanverplichting
- Welke werkgevers zijn startbaanplichtig?
- Werkgevers uit de openbare sector en werkgevers uit de private sector
- Hoe groot is de startbaanverplichting?
- De invulling van de startbaanverplichting door de werkgever
- Vrijstelling van de startbaanverplichting
- Nieuwe gedeeltelijke vrijstelling vanaf 1 januari 2010
- Vrijstelling voor de periode 2010-2011
- Bijzondere bepalingen
- Sancties
Wanneer we spreken over het startbanenstelsel, hebben we het over een tweeledige maatregel. Enerzijds bestaat ze uit de startbaanvermindering. Dit is de mogelijkheid voor de werkgever om laaggeschoolde of erg laaggeschoolde werknemers jonger dan 26 jaar aan te werven en hiervoor een vermindering van de patronale RSZ-bijdragen te ontvangen. Anderzijds is er de startbaanverplichting, die werd ingevoerd door de wet van 24 december 1999, en die inhoudt dat werkgevers verplicht zijn een wettelijk vastgesteld aantal jongeren te werk te stellen. In deze bijdrage herinneren we u aan de belangrijkste principes van de startbaanverplichting die ook in 2010 voor u als werkgever van groot belang zullen zijn.
Welke werkgevers zijn startbaanplichtig?
Elke werkgever mag zoveel jongeren als hij wil in dienst nemen. Het startbanenstelsel is echter voornamelijk gericht op de werkgevers die een verplichting hebben om jonge werknemers aan te werven en op de werkgevers die deze (erg) laaggeschoolde jongeren in dienst willen nemen.
Alle werkgevers uit de openbare sector en de private sector die op 30 juni 2009 een personeelsbestand hadden van ten minste 50 werknemers, hebben een startbaanverplichting. Men telt daarbij in koppen dus iedere werknemer – ook de deeltijdse - die op 30 juni van het voorgaande jaar in dienst was, telt mee voor één eenheid. De jongeren die tewerkgesteld met een startbaanovereenkomst en de uitzendkrachten (zowel bij de gebruiker als bij het uitzendbureau) tellen niet mee.
De werkgevers van de private sector dienen naast de voormelde individuele startbaanverplichting eveneens te voldoen aan een collectieve startbaanverplichting. Deze bijkomende startbaanverplichting rust op alle werkgevers uit de private sector, ongeacht het aantal werknemers dat elk van hen afzonderlijk tewerkstelt. Deze verplichting kan dus zowel voldaan worden door de werkgevers die onderworpen zijn aan de individuele startbaanverplichting als door de werkgevers met minder dan vijftig werknemers die niet onderworpen zijn aan de individuele startbaanverplichting.
Werkgevers uit de openbare sector en werkgevers uit de private sector
Deze vermindering is zowel op de openbare werkgevers als op de werkgevers uit de private sector van toepassing.
Wel zijn er afwijkende bepalingen voor beide categorieën van werkgevers. Verwarrend hierbij is dat de begrippen “openbare werkgever” en “werkgever uit de private sector” hier afwijken van hun normale gangbare betekenis.
Werkgevers uit de openbare sector zijn alle publiekrechtelijke rechtspersonen (met uitzondering van de interprovinciales en de intercommunales met industriële en commerciële activiteit, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven) alsook de werkgevers uit de private sector die behoren tot de non-profit.
Werkgevers uit de private sector zijn alle natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen (met uitzondering van de werkgevers die behoren tot de non-profit) alsook de interprovinciales en de intercommunales met industriële en commerciële activiteit, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven.
Hoe groot is de startbaanverplichting?
De werkgever die startbaanplichtig is, dient te weten hoeveel jonge werknemers hij in dienst moet nemen en in dienst moet houden om aan zijn startbaanverplichting te voldoen.
De grootte van de startbaanverplichting hangt af van de sector waartoe de werkgever behoort. Deze berekening moet elk jaar opnieuw gedaan worden, vermits dit VTE-bestand jaar na jaar kan wijzigen.
De werkgever uit de openbare sector heeft een startbaanverplichting van 1,5% van het berekende personeelsbestand van het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in VTE.
Voor de federale staat en de overheidsinstellingen die ervan afhangen geldt vanaf 1 januari 2006 een startbaanverplichting van 3% van het personeelsbestand van het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in voltijdse equivalenten.
De individuele startbaanverplichting voor werkgevers uit de private sector bedraagt 3% van het in voltijdse equivalenten (VTE) berekend personeelsbestand van het tweede kwartaal van het voorgaande jaar. De bijkomende collectieve startbaanverplichting van alle werkgevers uit de private sector samen bedraagt 1% van het globale personeelsbestand.
Het personeelsbestand in voltijdse equivalenten van het tweede kwartaal van het voorgaande jaar wordt berekend door de som te nemen van de individuele VTE-breuken van de werknemers die op dat ogenblik in dienst waren.
De invulling van de startbaanverplichting door de werkgever
Vanaf het moment dat de werkgever weet dat hij startbaanplichtig is, moet hij er voor zorgen dat hij het vereiste aantal jongeren of startbaners in dienst neemt en houdt. De werkgever dient heel het jaar door, alle dagen van het jaar, te voldoen aan zijn startbaanverplichting.
Bedraagt de startbaanverplichting op basis van gegevens over het personeelbestand van 2009, 8,65, dan is de werkgever verplicht om gedurende heel 2010 8,65 jongeren in dienst te hebben.
De jongeren die meegerekend worden voor het vervullen van de startbaanverplichting zijn alle werknemers voor wie de werkgevers één of meerdere RSZ-bijdragen verschuldigd is en dit tot het einde van het kwartaal waarin ze 26 jaar worden, ongeacht of ze worden tewerkgesteld met een startbaanovereenkomst. Jobstudenten tewerkgesteld tijdens en buiten de zomervakantie en waarvoor solidariteitsbijdragen betaald worden, worden hier niet meegerekend. Jongeren tewerkgesteld in het kader van financiële enveloppe social profit tellen evenmin mee voor de invulling van de startbaanverplichting.
Niet alle jongeren wegen evenveel door. Er dient een onderscheid gemaakt te worden afhankelijk van het type van overeenkomst waarmee de jongere aangeworven is en afhankelijk van de categorie waartoe de jongere behoort. De waarde varieert van minimaal 0,5 eenheden tot maximaal 2 eenheden.
Er bestaan drie soorten van startbaanovereenkomsten:
- type 1 is een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst;
- type 2 is een combinatie van een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst met een opleiding;
- type 3 is een leerovereenkomst.
De jongeren tewerkgesteld zonder startbaanovereenkomst en zij die een startbaanovereenkomst type 1 hebben, tellen in VTE mee.
Jongeren die tewerkgesteld worden met een startbaanovereenkomst type 2 en type 3 tellen mee in eenheden.
Personen met een handicap of jongeren van buitenlandse afkomst kunnen voor 2 eenheden geteld worden indien hiervan melding gemaakt wordt op de startbaankaart en het als dusdanig vermeld wordt op de DMFA.
Voorbeeld
Een werkgever in de private sector had op 30 juni 2009 255 werknemers in dienst (geteld op 30/06 in koppen). Deze werkgever is dus onderworpen aan de startbaanverplichting.
Tijdens het tweede kwartaal van 2009 had deze werkgever een personeelsbestand in VTE van 234 werknemers. Hij dient ervoor te zorgen dat hij gedurende heel het jaar 2010 7,02 VTE jongeren in dienst heeft (3% van 234).
De werkgever heeft volgende jongeren in dienst:
- 1 voltijdse tewerkgestelde jongere
- 1 jongere met arbeidsovereenkomst van 70%
- 1 voltijds gehandicapte jongere met een SBO type 1
- 1 allochtone jongere met een SBO type 3
- 2 jongeren met een SBO type 2 van 60%
Weging:
- 1 VTE
- 0,70 VTE
- 1 + 1 = 2 VTE (dubbeltelling want gehandicapt)
- 1 + 1 = 2 VTE (dubbeltelling want allochtoon)
- 2 VTE (telling in eenheden)
De werkgever heeft 7,70 VTE jongeren in dienst en zal niet verplicht zijn bijkomende jongeren aan te werven in 2010 op voorwaarde dat hij steeds een aantal jongeren in dienst heeft dat minstens gelijk is aan 7,70 VTE.
Opmerking: De diensten en instellingen die afhangen van de federale Staat mogen hun verplicht jongerenquotum geleidelijk aan realiseren, door vanaf 2006 elk jaar 10% van de geplande aanwervingen voor te behouden aan jongeren.
Vrijstelling van de startbaanverplichting
Een aantal categorieën van werkgevers kunnen geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van de startbaanverplichting indien ze aan bepaalde voorwaarden voldoen of een aantal formaliteiten vervullen. Dit zijn in het bijzonder:
- De onderwijssector* (hieronder wordt begrepen: alle door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen; PC 152 en PC 225);
- Een non-profitwerkgever of een geheel van werkgevers die tot eenzelfde non-profitsector behoren die een redelijke inspanning hebben geleverd ten gunste van de werkgelegenheid;
- Plaatselijke besturen gebonden door een goedgekeurd saneringsplan of beheersplan dat een inkrimping van het personeel oplegt;
- Plaatselijke besturen en non-profitondernemingen in financiële moeilijkheden;
- Ondernemingen in moeilijkheden;
- Ondernemingen of sectoren die een redelijke inspanning geleverd hebben ten gunste van de werkgelegenheid;
- Ondernemingen die geconfronteerd worden met een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand.
* Dit is een wettelijke vrijstelling. Bij andere vrijstellingen is de regel dat indien in een onderneming verschillende paritaire comités voorkomen waarvan er één vrijgesteld is, de ganse onderneming vrijgesteld is. Bij de vrijstelling van de onderwijssector, is enkel paritair comité 152 en 225 vrijgesteld.
Nieuwe gedeeltelijke vrijstelling vanaf 1 januari 2010
De wet ter bevordering van de werkgelegenheid van 30 december 2009 voert een nieuwe vrijstelling van de startbaanverplichting in.
De openbare werkgever of werkgever uit de private sector kan voor een derde vrijgesteld worden van zijn startbaanverplichting, wanneer hij een aantal stageplaatsen aangeboden heeft die bestemd zijn voor leerlingen uit het technisch secundair onderwijs, het voltijds of deeltijds beroepssecundair onderwijs, voor werkzoekenden van minder dan 26 jaar oud die een beroepsopleiding volgen als bedoeld in artikel 27, 6°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, ten uitzondering van de individuele beroepsopleidingen, voor cursisten uit het volwassenenonderwijs van minder dan 26 jaar oud, in het kader van overeenkomsten die hij daartoe moet sluiten met een of meer onderwijs- of opleidingsinstellingen of met een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling of beroepsopleiding.
Een koninklijk besluit moet nog uitwerking geven aan deze nieuwe gedeeltelijke vrijstelling, wat de voorwaarden en concrete modaliteiten tot toekenning van de vrijstelling betreft.
Vrijstelling voor de periode 2010-2011
Volgende paritaire (sub)comités zijn, onder voorbehoud van publicatie van de ministeriële besluiten in het Belgisch Staatsblad, vrijgesteld van de startbaanverplichting voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011:
- PC 124.000 voor het bouwbedrijf;
- PC 126.000 voor de stoffering en de houtbewerking;
- PC 129.000 voor de voortbrenging van papierpap, papier en karton;
- PC 140.010 voor de openbare autobusdiensten;
- PC 140.020 voor de speciale autobusdiensten;
- PC 140.030 voor de autocars;
- PC 129.000 voor de voortbrenging van papierpap, papier en karton;
- PC 140.040 voor het goederenvervoer over de weg voor rekening van derden;
- PC 140.090 voor goederenbehandeling voor rekening van derden;
- PC 220.000 voor bedienden uit de voedingsnijverheid.
Bijzondere bepalingen
Naast voorgaande vrijstellingen zijn er ook nog enkele bijzondere bepalingen voor seizoensondernemingen en voor een ‘groep van werkgevers’. Onder groep van werkgevers wordt verstaan: de technische bedrijfseenheid die uit verschillende juridische entiteiten bestaat die een economische en sociale samenhang hebben.
Er bestaan eveneens bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op een gefusioneerde onderneming en op een gesplitste onderneming. Deze werkgevers kunnen in deze gevallen met de minister een tewerkstellingsovereenkomst sluiten. In dergelijke situaties geldt een bijzondere procedure.
Sancties
In de startbaanreglementering is er een sanctie voorzien indien:
- de werkgever zijn individuele startbaanverplichting van 1,5% of 3% niet naleeft of wanneer de collectieve aanwervingsverplichting niet werd nageleefd;
- de aanwervingen met een startbaanovereenkomst gecompenseerd worden door ontslag van personeel.
De werkgevers die hun verplichting niet nakomen, moeten een compenserende vergoeding betalen van 75 euro vermenigvuldigd met:
- ofwel het aantal dagen dat het verplichte aantal jongeren niet werd tewerkgesteld en/of het aantal dagen dat de aanwerving van jongeren gecompenseerd werd door het ontslag van personeel uitgedrukt in kalenderdagen, dus met inbegrip van zon- en feestdagen;
- ofwel het aantal jongeren dat niet tewerkgesteld werd en/of het aantal werknemers dat werd ontslagen om de aanwerving van jongeren met een startbaanovereenkomst te compenseren, uitgedrukt in voltijdse equivalenten.
De compenserende vergoeding wordt gestort aan de RSZ-Globaal Beheer.
Niet alleen moet u als werkgever een geldboete betalen, ook verliest u de vermindering van de RSZ-bijdragen die u geniet in het kader van de startbaanvermindering.

