4-01-12 De startbaanverplichting
- Toepassingsgebied startbaanverplichting
- Omvang van de startbaanverplichting
- Invulling van de startbaanverplichting
- Vrijstelling van de startbaanverplichting
- Sancties bij niet naleven van de startbaanverplichting
- Formaliteiten in het kader van de doelgroepvermindering voor jonge werknemers.
Het startbanenverhaal is tweeledig. Enerzijds bestaat er een vermindering van de werkgeversbijdragen RSZ voor werknemers die jonger zijn dan 26 jaar en laaggeschoold of erg laaggeschoold (hetzij laaggeschoold en allochtoon of gehandicapt). Anderzijds voerde de overheid eind jaren 90 de startbaanverplichting in, waarmee werkgevers die een bepaald aantal werknemers in dienst hebben, tevens verplicht worden een wettelijk vastgesteld aantal jongeren tewerk te stellen.
Toepassingsgebied startbaanverplichting
Alle werkgevers uit de openbare en private sector die op 30 juni 2011 een personeelsbestand hadden van minstens vijftig werknemers hebben een individuele startbaanverplichting. Zij moeten verplicht een aantal jongeren in dienst hebben en houden, hetzij aanwerven of vervangen in 2012. Men telt daarbij het personeelsbestand op 30 juni 2011 in koppen. Dit betekent dus dat iedere werknemer – ook de deeltijdse – die op 30 juni van het voorafgaande jaar (2011) in dienst was, meetelt voor één eenheid en bepaalt of de werkgever al dan niet “startbaanplichtig” is in het nieuwe jaar (zodra er 50 werknemers of meer in dienst zijn, valt de werkgever onder de startbaanverplichting).
Voor de werkgevers uit de private sector geldt daarenboven een bijkomende collectieve startbaanverplichting, ongeacht het aantal werknemers dat elk van hen afzonderlijk tewerkstelt. Deze verplichting kan dus zowel voldaan worden door de werkgevers die onderworpen zijn aan de individuele startbaanverplichting als door de werkgevers met minder dan vijftig werknemers die niet onderworpen zijn aan deze individuele verplichting.
Tot de werkgevers van de private sector behoren alle natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen (met uitzondering van de werkgevers die behoren tot de non-profit), en de intercommunales en interprovinciales met commerciële of industriële activiteit, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven.
Tot de werkgevers van de openbare sector behoren dan weer alle publiekrechtelijke rechtspersonen (met uitzondering van de interprovinciales en de intercommunales met industriële en commerciële activiteit, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven) alsook de werkgevers uit de private sector die behoren tot de non-profit.
Opgelet, om het personeelsbestand op 30 juni te bepalen moeten de jongeren die met een startbaanovereenkomst worden tewerkgesteld niet worden meegeteld.
Sinds 1 april 2010 wordt elke jongere onder 26 jaar die met een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is voor minstens ½ beschouwd als een jongere met startbaanovereenkomst, voor zover de werkgever deze jongere als dusdanig aangeeft in zijn kwartaalaangifte aan de RSZ (DMFA). De ‘startbaankaart’ die tot 31 maart 2010 bestond en attesteerde of een jongere een startbaan had ja dan neen, werd immers afgeschaft en dus zijn de formaliteiten gekoppeld aan deze kaart meteen mee afgeschaft, wat de startbaanverplichting betreft. Let wel, voor het bekomen van startbaanverminderingen, is een alternatief attest doorgevoerd. Dit attest, de zogenaamde werkkaart START, attesteert ook omtrent dubbeltelling van een werknemer in het kader van de startbaanverplichting. We komen hierop verder in deze bijdrage nog uitgebreid terug.
Omvang van de startbaanverplichting
Heeft een werkgever op basis van de berekening op 30/6 minstens 50 werknemers in dienst, dan is hij startbaanplichtig in het volledige volgende jaar. De omvang van de startbaanverplichting moet dan worden vastgesteld op basis van onderstaande principes.
De individuele startbaanverplichting voor werkgevers in de private sector bedraagt 3 % van het personeelsbestand in het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in voltijds equivalenten (VTE). Voor 2012 moet met andere woorden gekeken worden naar het aantal voltijds equivalenten dat de betrokken werkgever in het volledige 2e kwartaal van 2011 in dienst had. De bijkomende collectieve startbaanverplichting bedraagt 1% van het globale personeelsbestand.
De werkgever uit de openbare sector heeft een startbaanverplichting van slechts 1,5 % van het personeelsbestand in het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in VTE.
Voor de federale staat, en de overheidsinstellingen die ervan afhangen, bestaat een aparte regeling. Voor hen geldt een startbaanverplichting van 3 % van het personeelsbestand, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, tijdens het 2e kwartaal van het voorafgaande jaar. Met andere woorden hun startbaanverplichting is in de praktijk even groot als die voor werkgevers uit de private sector.
Het personeelsbestand, berekend in VTE over het 2e kwartaal van het voorgaande jaar, is de som van de VTE -breuken van de individuele werknemers, inclusief eventuele in en uit dienst getreden werknemers in de loop van dit kwartaal, voor de duur van hun tewerkstelling.
Invulling van de startbaanverplichting
Zodra de werkgever weet hoe groot zijn startbaanverplichting is, moet hij ervoor zorgen het vereiste aantal jongeren aan te werven en/of in dienst te houden gedurende het volledige komende kalenderjaar. Als de startbaanverplichting bijvoorbeeld 5,5 VTE bedraagt (op basis van de berekening van de gegevens van (het 2e kwartaal van) 2011), moet de werkgever zoveel jongeren in dienst hebben en houden gedurende het volledige jaar 2012.
Voor het invullen van de startbaanverplichting worden alle werknemers onder 26 jaar meegeteld voor wie de werkgever één of meerdere RSZ -werkgeversbijdragen verschuldigd is. Elke jongere telt mee, tot en met het einde van het kwartaal waarin de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt, ongeacht het feit of de jongere tewerkgesteld wordt in het kader van een startbaan en ongeacht het recht op eventuele doelgroepverminderingen voor jonge werknemers. Jobstudenten tellen, in de mate dat zij tewerkgesteld zijn onder solidariteitsbijdragen, niet mee.
Opgelet, niet elke aangeworven jongere weegt even zwaar voor het voldoen aan de startbaanverplichting. Afhankelijk van het type overeenkomst waarmee de jongere is aangeworven en afhankelijk van de doelgroep waartoe de jongere behoort, zal hij een waarde hebben schommelend van zijn effectief tewerkstellingspercentage in VTE tot maximaal 2 VTE.
Er zijn drie soorten “startbaanovereenkomsten”:
- type 1 is een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst, die door de werkgever als dusdanig wordt aangegeven aan de RSZ (in de DMFA);
- type 2 is een combinatie van een minstens halftijdse overeenkomst met een opleiding;
- type 3 is een leerovereenkomst.
De jongeren zonder startbaanovereenkomst en zij die een startbaanovereenkomst van het type 1 hebben, tellen mee in VTE. Let wel, u hebt er als werkgever baat bij elke jongere die aan de voorwaarden voldoet als “startbaner” aan te geven aan de RSZ (in uw DMFA aangifte). Deze jongeren worden immers niet meegeteld bij het bepalen van het bestand op 30/6 en evenmin in het bestand met VTE van het 2e kwartaal van het voorgaande jaar.
Jongeren die een startbaanovereenkomst van het type 2 of 3 hebben, worden als één voltijds equivalent beschouwd. Er wordt met andere woorden abstractie gemaakt van hun effectief tewerkstellingspercentage. Daarenboven geldt voor deze jongeren met een overeenkomst type 2 of 3 dat zij sinds 1 april 2010 dubbel tellen voor het invullen van de startbaanverplichting.
Ook personen met een handicap of personen van buitenlandse afkomst tellen dubbel voor de invulling van de startbaanverplichting, ten minste voor zover hiervan melding wordt gemaakt op hun werkkaart START. Deze dubbeltelling geldt al sinds verschillende jaren. Het is voor uw hooggeschoolde werknemers, die mogelijks allochtoon of gehandicapt zijn, en dus in aanmerking komen voor een dubbeltelling wel nog noodzakelijk een werkkaart START te vragen aan de RVA, als bewijs van deze dubbeltelling. Immers, RVA dient hieromtrent te attesteren alvorens de dubbeltelling mag worden toegepast.
Let wel, is een jongere allochtoon of gehandicapt en bovendien tewerkgesteld met een overeenkomst type 2 of 3 dan zal toch slechts één dubbeltelling kunnen worden toegepast in het kader van de invulling van de startbaanverplichting.
In alle andere gevallen zal de jongere worden meegerekend pro rata de duur van de overeengekomen arbeid.
Voorbeeld
Een werkgever uit de private sector heeft op 30 juni 2011 235 werknemers tewerkgesteld (geteld in koppen). Dit betekent dat hij onderworpen is aan de startbaanverplichting voor het jaar 2012.
Tijdens het tweede kwartaal 2011 heeft de werkgever een personeelsbestand van 204 VTE. De werkgever moet er in 2012 dan ook voor zorgen minstens om 6,12 VTE jongeren in dienst te hebben (204 VTE x 3 %).
Stel dat deze werkgever de volgende jongeren al in dienst heeft:
- 1 jongere voltijds met een gewone arbeidsovereenkomst;
- 1 jongere met een contract type 2;
- 1 jongere met een contract type 3 en allochtoon;
- 1 jongere voor 75 %;
- 1 voltijdse allochtoon met startbaanovereenkomst type 1;
Dan geeft de berekening van de invulling van de startbaanverplichting het volgende resultaat:
- 1 VTE
- 2 VTE (type 2 telt mee in VTE en telt bovendien dubbel sinds 1 april 2010)
- 2 VTE (type 3 telt mee in VTE en telt dubbel, er geldt geen bijkomende dubbeltelling)
- 0,75 VTE
- 2 VTE (allochtoon telt dubbel
In totaal heeft de werkgever al 7,75 VTE in dienst en hij moet dan ook, zolang deze tewerkstelling gehandhaafd blijft, geen extra jongeren aanwerven.
Vrijstelling van de startbaanverplichting
Een aantal categorieën van werkgevers zijn geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de startbaanverplichting als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen of een aantal formaliteiten vervullen, meer bepaald:
- de onderwijssector ( hieronder wordt verstaan: alle door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen )
- de non-profit werkgever of het geheel van werkgevers die tot eenzelfde non-profit sector behoren die een redelijke inspanning heeft geleverd ten gunste van de werkgelegenheid
- plaatselijke besturen, gebonden door een goedgekeurd saneringsplan of beheersplan dat een inkrimping van het personeel oplegt
- plaatselijke besturen en non-profit ondernemingen in financiële moeilijkheden.
- ondernemingen in moeilijkheden
- ondernemingen of sectoren die een redelijke inspanning hebben geleverd ten gunste van de werkgelegenheid
- ondernemingen die geconfronteerd worden met een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand
- vrijstelling voor 1/3 van de startbaanverplichting voor werkgever die stageplaatsen aanbieden overeenkomstig de voorwaarden en mits het voorafgaandelijk akkoord van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Specifieke vrijstellingen voor de periode 2011-2012
Onderstaande paritaire comités/subcomités zijn, onder voorbehoud van publicatie van de M.B. hieromtrent in het Belgisch Staatsblad, vrijgesteld van de startbaanverplichting voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012.
- PC 118 + sub voor de voedingsnijverheid;
- PC 124.000 voor het bouwbedrijf;
- PC 126.000 voor de stoffering en de houtbewerking;
- PC 129.000 voor de voortbrenging van papierpap, papier en karton;
- PC 140.010 voor autobussen en autocars;
- PC 140.020 voor de taxi's;
- PC 140.030 voor wegvervoer en logistiek voor rekening van derden;
- PC 220.000 voor bedienden uit de voedingsnijverheid.
Bijzondere bepalingen
Daarnaast zijn er nog een aantal bijzondere bepalingen voor seizoensondernemingen en ‘groepen van werkgevers’ (deze laatste is een technische bedrijfseenheid die uit verschillende juridische entiteiten bestaat die een economische en sociale samenhang hebben).
Ook zijn er bijzondere bepalingen van toepassing op een gefuseerde onderneming en op een gesplitste onderneming. Zij kunnen allen met de minister van Werk een tewerkstellingsovereenkomst sluiten. Hiertoe moeten ze een aparte procedure volgen.
Sancties bij niet naleven van de startbaanverplichting
Leeft een werkgever de regelgeving rond de startbaanverplichting niet na, dan riskeert hij sancties. Deze sancties zijn dubbel en doen zich voor in twee omstandigheden:
a) werkgever die zijn individuele startbaanverplichting van 1,5% of 3% niet naleeft of de collectieve aanwervingplicht niet heeft nageleefd;
b) aanwervingen met een startbaanovereenkomst worden gecompenseerd door ontslag van personeel.
De werkgever die zich aan deze overtreding schuldig maakt en zijn startbaanverplichting met andere woorden niet nakomt, moet enerzijds een compenserende vergoeding betalen van 75 euro vermenigvuldigd met (afhankelijk van de omstandigheden):
- ofwel het aantal dagen dat het verplichte aantal jongeren niet werd tewerkgesteld en/of het aantal dagen dat de aanwerving van jongeren gecompenseerd werd door het ontslag van personeel uitgedrukt in kalenderdagen, dus met inbegrip van zon- en feestdagen;
- ofwel het aantal jongeren dat niet tewerkgesteld werd en/of het aantal werknemers dat werd ontslagen om de aanwerving van jongeren met een startbaanovereenkomst te compenseren, uitgedrukt in voltijdse equivalenten.
De compenserende vergoeding wordt gestort aan de “RSZ Globaal Beheer”.
Anderzijds, zal de betrokken werkgever bovendien het recht verliezen op alle doelgroepverminderingen voor jonge werknemers waarop hij aanspraak op kunnen maken.
Formaliteiten in het kader van de doelgroepvermindering voor jonge werknemers.
Op 1 april 2010 werd de startbaankaart afgeschaft en vervangen door de werkkaart START die kan worden aangevraagd bij RVA op basis van het formulier C63 werkkaart. Op deze werkkaart START wordt geattesteerd omtrent enerzijds mogelijk recht op doelgroepvermindering voor laaggeschoolde of erg laaggeschoolde werknemers ( hetzij laaggeschoold en allochtoon of gehandicapt) en anderzijds omtrent het voordeel Activa start.
Daarenboven zal de werkkaart ook aangeven of de betrokken werknemer in aanmerking komt voor een dubbeltelling in het kader van de startbaanverplichting, wanneer het een allochtone of gehandicapte jongere betreft.
Voor hooggeschoolde jongeren wordt niet langer een kaart afgeleverd. Heeft u een allochtone of gehandicapte jongere (zonder dat het een laag of erg laaggeschoolde jongere betreft) in dienst waarvoor u toch aanspraak wil maken op de dubbeltelling, dan zal u alsnog de werkkaart START moeten aanvragen bij RVA, zodat deze hieromtrent de nodige attesten kan afleveren.

