Naar inhoud

Terug naar het overzicht

3-08-10 Hebben mijn jeugdige werknemers recht op vakantie?

De grote vakantie is al halfweg. Veel jongeren zijn in juni afgestudeerd of gaan afstuderen in september. Zij zijn nu volop bezig met hun plaatsje op de arbeidsmarkt te veroveren.  Ongetwijfeld gaat u een aantal van deze jeugdige werknemers in dienst nemen, maar wat gaat u hen antwoorden wanneer ze u in het najaar een aantal dagen vakantie vragen. Hebben zij recht op vakantie?

Géén vakantie in het jaar dat men afstudeert

In de privé-sector wordt maar vakantie toegestaan in de mate dat de werknemer in het jaar voordien (vakantiedienstjaar) ervoor gewerkt heeft. Een werknemer kan in het vakantiejaar (het kalenderjaar volgend op het vakantiedienstjaar) enkel de vakantiedagen opnemen die hij in het vakantiedienstjaar opgebouwd heeft door arbeid te verrichten. Een jongere die nog studeerde in het vakantiedienstjaar, heeft dus geen vakantierechten opgebouwd voor het vakantiejaar. Indien u hem in dienst neemt, zal hij het voor de rest van dat jaar zonder vakantie moeten stellen.

Voorbeeld ter verduidelijking

Een jongere studeert af op 30 juni 2010. In het vakantiedienstjaar 2009 studeerde hij nog. Hij komt bij u als bediende in dienst vanaf 1 september 2010. In 2010 heeft uw werknemer nog geen recht op jaarlijkse vakantie. Hij heeft immers niet gewerkt in 2009. Indien deze jongere vakantie wil nemen, kan onbetaald verlof een alternatief zijn.

Een uitgebreide bijdrage over onbetaald verlof vindt u in onze volgende e-magazine.

Vakantie in het jaar nadat de werknemer in dienst gekomen is

In het jaar nadat de werknemer bij u in dienst gekomen is, liggen de zaken anders. Hij heeft immers in het vakantiedienstjaar gewerkt en dus vakantierechten opgebouwd. Wie het ganse jaar heeft gewerkt, heeft in de regel het daaropvolgende jaar recht op vier weken betaalde vakantie. Aangezien hij geen volledig vakantiedienstjaar gewerkt heeft, krijgt de jongere dan ook niet het maximum aantal vakantiedagen.

Aanvulling van  voorgaand voorbeeld

In 2010 heeft de jongere wel recht op vakantie. Voor elke gewerkte maand in 2009, bouwt hij 2 vakantiedagen op in 2010 (zesdagenweek). In 2010 heeft hij dus, op basis van zijn prestaties in 2009, recht op 8 vakantiedagen in de zesdagenweek en 7 vakantiedagen in de vijfdagenweek.

In dit geval zal deze werknemer zich kunnen beroepen op de jeugdvakantie. Jeugdvakantie biedt de werknemer de mogelijkheid om toch het maximum aantal vakantiedagen te krijgen hoewel hij het voorgaande jaar nog studeerde.

Een jeugdige werknemer die aan bepaalde voorwaarden voldoet, heeft recht op vier weken vakantie of vierentwintig vakantiedagen, in de zesdagenweek. Zowel bedienden als arbeiders tewerkgesteld in de privé-sector kunnen in aanmerking komen. Deze vier weken bestaan uit een aantal vakantiedagen die hij heeft opgebouwd door te werken in het vakantiedienstjaar. Het saldo, namelijk deze vier weken verminderd met de vakantiedagen die hij in het vakantiedienstjaar opgebouwd heeft, zijn de jeugdvakantiedagen. De jeugdvakantie wordt slechts toegekend na de uitputting van de gewone betaalde vakantie.

a. Voorwaarden

1.Jonger zijn dan 25 jaar

De jeugdige werknemer mag op 31 december van het vakantiedienstjaar nog niet de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben.

2. Einde van de studies

De jeugdige werknemer moet in de loop van het vakantiedienstjaar zijn studies (met inbegrip van de periode van het schrijven van een eindwerk), leertijd (zowel de middenstandsopleiding als de industriële leertijd) of opleiding (vorming erkend in het kader van de deeltijdse leerplicht, opleiding erkend door de VDAB of FOREm of ADG in het kader van een inschakelingsparcours) hebben beëindigd;

3. Minstens één maand tewerkgesteld zijn

Na de beëindiging van zijn studies, leertijd of opleiding dient de werknemer arbeid te verrichten als loontrekkende gedurende tenminste één maand in het vakantiedienstjaar. Deze maand moet minstens 13 arbeidsdagen of 70 arbeidsuren of gelijkgestelde dagen/uren omvatten. Deze gelijkgestelde dagen zijn minstens dagen waarvoor tenminste een minimumloon moet betaald worden, onderworpen aan de RSZ, sector werkloosheid. Gelijkgestelde dagen zijn onder andere de dagen waarvoor ziekte-uitkeringen betaald werden, feestdagen, carensdagen e.a. Ook de jongeren die deeltijds tewerkgesteld zijn, hebben recht op jeugdvakantiedagen.

4. Na de gewone vakantiedagen

De gewone vakantiedagen waarop de jongere recht heeft, moeten uitgeput zijn vóór de dag waarvoor de uitkering wordt aangevraagd en dit tijdens of aaneensluitend een tewerkstelling als loontrekkende of tijdens een periode van vergoede volledige werkloosheid. De vakantie wordt uitgeput rekening houdend met de tewerkstellingsbreuk op het tijdstip waarop de vakantie genomen wordt.

5. Geen verplichting

De jongere is niet verplicht om zijn dagen jeugdvakantie op te nemen. Het tijdstip van het opnemen van de jeugdvakantie gebeurt op dezelfde wijze als voor de gewone vakantiedagen.

Indien de jongere beslist om zijn jeugdvakantiedagen niet op te nemen, dan kan hij deze niet overdragen naar het volgende jaar. Hij is deze dagen kwijt.

De jeugdige werknemer moet gedurende de vakantie-uren werkloze zijn zonder loon. Hij mag geen beroeps- of vervangingsinkomen bezitten.

b. Wie betaalt wat?

De uitbetaling van het vakantiegeld voor de vakantiedagen van de arbeider zijn ten laste van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie of een bijzonder vakantiefonds. Voor bedienden is deze uitbetaling ten laste van de werkgever.

De dagen die toegekend worden als jeugdvakantiedagen zijn ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling (RVA).

1. Het bedrag

De jeugdvakantie-uitkering bedraagt 65% van het brutoloon van de jongere tijdens de eerste maand waarin de jeugdvakantie wordt opgenomen. Dit bedrag is begrensd tot 1.921,71 euro per maand (=plafondbedrag). Het maximumbedrag bedraagt 48,04 euro in de zesdagenweek. Op het bedrag wordt een fiscale voorheffing van 10,09% ingehouden.

Het aantal jeugdvakantiedagen wordt per maand bekomen via volgende formule:

V x 6  - saldo J

   S

J = het gewogen aantal dagen dat voltijds gedekt is door vakantiegeld met afrondingen nl.

< 0,25 wordt 0

0,25 tot < 0,75 wordt 0,5

> 0,75 wordt 1

2. Voorbeeld

Een werknemer werkt 19 uren per week. De voltijdse wekelijkse arbeidsduur bedraagt 38 uren per week. Hij heeft een brutomaandloon van 1.854,35 euro. Hij heeft nog één gewone wettelijke vakantiedag over. Hij neemt één week vakantie in de maand oktober.

[(19 x 6)/38] – 1 = 2 jeugdvakantie-uitkeringen

Opmerking:

De jeugdvakantie-uitkeringen zijn éénmalig. Indien de jongere in het verleden reeds aanspraak kon maken op jeugdvakantie-uitkeringen, kan hij hier géén tweede keer van genieten.

c. Jeugdvakantie aanvragen

U heeft als werkgever m.b.t. de te vervullen formaliteiten de mogelijkheid om te kiezen voor een papieren aangifte of een elektronische aangifte.

1. De papieren aangifte

De eerste maand dat de jongere jeugdvakantie neemt, dienen drie formulieren ingediend te worden bij de uitbetalingsinstelling naar keuze van de werknemer (ABVV, ACLVB, ACV of HVW) met name:

  • C.103-Jeugdvakantie-werknemer: in te vullen door de werknemer;
  • C.103-Jeugdvakantie-werkgever in tweevoud: in te vullen door de werkgever.

Na een tweede en volgende kalendermaand waarin door de jongere jeugdvakantie genomen wordt, moet de jongere formulier C.103-Jeugdvakantie-Werkgever indienen. Het bedrag van de uitkeringen zal dan op de rekening van de werknemer gestort worden.

Deze formulieren mogen ten vroegste ingediend worden na de vakantieperiode en ten laatste in februari van het jaar volgend op het jaar waarin vakantie genomen wordt.

De betaling van de jeugdvakantie-uitkeringen gebeuren ten vroegste vanaf mei van het vakantiejaar en dit op basis van elk formulier C.103-Jeugdvakantie-Werkgever.

2. De elektronische aangifte

Indien u opteert voor de elektronische aangifte, dan surft u naar www.socialsecurity.be. U kiest ‘werkgevers & mandatarissen’ en klikt dan door ‘Sociale Risico’s/Werkloosheid’. U heeft dan de keuze tussen verschillende scenario’s. Van belang zijn:

  • Scenario 9: Aangifte voor het vaststellen van het recht op jeugd- of seniorvakantie
    Vervangt formulier C103 jeugdvakantie werkgever en C103 seniorvakantie werkgever.
  • Scenario 10: Maandelijkse aangifte van de uren jeugd- of seniorvakantie
    Vervangt formulier C103 jeugdvakantie werkgever en C103 seniorvakantie werkgever.

Indien u voor deze aangiftevorm kiest, volstaat het dat de jongere na de eerste maand waarin hij jeugdvakantie neemt enkel het ingevulde formulier C.103-Jeugdvakantie-werknemer indient bij zijn uitbetalingsinstelling. De volgende maanden dient de werknemer niets meer te doen om de betaling van de jeugdvakantie-uitkeringen te verkrijgen. De uitbetalingsinstelling zorgt voor de storting op de rekening van de werknemer.

Besluit

Jonge werknemers die in 2009 nog op de schoolbanken zaten kunnen, hoewel ze minder maanden gewerkt hebben, toch genieten van 4 weken vakantie indien ze voldoen aan een aantal voorwaarden.

 
 
Bron : Artikel 5 van de Gecoördineerde wetten van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, Artikel 7 §1ter van de Besluitwet van 28 december 1944, Artikel 78bis van het koninklijk Besluit van 25 november 1991 en www.rva.be
Home
Nieuws
Infobank
Acerta Tools
Modeldocumenten
Publicaties en kennisdatabanken
Gratis publicaties
Berekeningen en simulaties
Checklists
Bedragen
Verplichtingen werkgever
Aangiften
Mediwe medische controles
Aanbod
Starters
Zelfstandigen en vrije beroepen
Boekhouders en accountants
KMO
Grote ondernemingen
Social Profit
Publieke Sector
Acerta Port & Logistics
Kinderbijslag werknemers
Over Acerta
MyAcerta