30-06-10 Onderhoudsbijdragen van ouders ten overstaan van hun kinderen
Op 21 april 2010 werd een wet gepubliceerd die tot doel heeft de objectieve bijdragen te bepalen die ouders verplicht zijn te leveren om in het onderhoud en de opvoeding van hun kinderen te voorzien. Met deze wet wordt aan een aantal bestaande regels en principes uit het burgerlijk wetboek en gerechtelijk wetboek in deze materie gesleuteld. De meeste van deze nieuwe bepalingen hebben uitwerking vanaf 1 augustus 2010. We geven u graag een overzichtje van de belangrijkste veranderingen die hiermee worden doorgevoerd. Immers, deze bepalingen zullen in de toekomst impact hebben op de praktische gevolgen van een alimentatievordering die bij een werkgever wordt opgeëist onder de vorm van een loondelegatie hetzij een loonbeslag voor achterstallig (en eventueel lopend) onderhoudsgeld.
1. Wijzigingen in het Burgerlijk wetboek
1.1 onderhoudsverplichting
De onderhoudsverplichtingen van ouders ten overstaan van hun kinderen worden omschreven in artikel 203 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Allereerst hebben ouders de verplichting naar evenredigheid van hun middelen te voorzien in onderhoud, opleiding en ontplooiing van hun kinderen, desnoods ook na de meerderjarigheid, voor zover hun kind(eren) hun opleiding nog niet hebben voltooid. De evenredige verhouding van deze bijdragen wordt in de aangepaste tekst van het burgerlijk wetboek duidelijker toegelicht. Zo worden niet enkel alle beroepsinkomsten in rekening gebracht, maar wordt ook rekening gehouden met alle roerende en onroerende inkomsten van de ouders evenals met alle voordelen en andere middelen die de levensstandaard waarborgen. De langstlevende echtgenoot behoudt zijn onderhoudsverplichting, ook ten aanzien van de kinderen van zijn vooroverleden echtgeno(o)t(e), van wie hij persoonlijk niet de vader of moeder is.
Beide ouders moeten evenredig met hun inkomsten, bijdragen in de kosten voor hun kinderen. Daarbij wordt rekening gehouden met gewone maar ook met buitengewone kosten.
Indien één van beide ouders deze verplichting niet nakomt, kan de andere alsnog zijn bijdrage vorderen.
Bij blijvende problemen kan de rechter, op basis van het verzoek van één van beide ouders, de verplichting opleggen aan beide partijen om voortaan hun bijdragen te storten op een rekening bij een erkende kredietinstelling.
De rechter zal in dat geval ook bepalen:
- welke bijdrage elk van beide ouders op deze rekening dient te storten;
- op welk moment dit bedrag maandelijks gestort dient te worden;
- hoe over de sommen op deze rekening kan worden beschikt;
- welke kosten met het tegoed van deze rekening worden betaald;
- hoe er toezicht wordt uitgevoerd op de uitgaven van deze rekening;
- hoe een eventueel tekort op de rekening moet worden aangevuld;
- en wat met de overschotten op de rekening gebeurt.
De bijdragen gestort op deze rekening zullen worden beschouwd als bijdragen in de onderhoudsverplichting van elk van beide ouders.
1.2. machtiging van de rechter
Artikel 203 bis van het Burgerlijk Wetboek behandelt de mogelijkheid tot loondelegatie. Wanneer een van beide ouders zijn onderhoudsverplichtingen niet nakomt, kan de andere ouder zich laten machtigen om de nodige sommen rechtstreeks te ontvangen van derden, waaronder ook de werkgever van de onderhoudsplichtige.
Deze machtiging zal in elk geval worden toegestaan wanneer de onderhoudsplichtige zich gedurende minstens 2 van de afgesproken termijnen (al dan niet opeenvolgend) in het voorgaande jaar aan zijn onderhoudsverplichtingen heeft onttrokken. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal de rechter hierop een uitzondering toestaan en enkel op basis van zeer specifieke omstandigheden in de concrete situatie.
Een derdeschuldenaar zal van deze beslissing per gerechtsbrief van de griffier een kennisgeving ontvangen en dit op verzoek van de eiser. Ook bij afloop van de uitwerking van het vonnis zal de griffier de derdeschuldenaars daarvan per gerechtsbrief op de hoogte brengen.
1.3. indexatie van onderhoudsbijdragen
In het verleden gebeurde het geregeld dat in het vonnis waarbij de onderhoudsverplichting werd uitgesproken geen duidelijke indexatie werd voorzien. Dit kon kwalijke gevolgen hebben voor de onderhoudsgerechtigde die zijn onderhoudsgeld ongewijzigd zag en de waarde ervan bijgevolg zag dalen. In bepaalde gevallen diende de onderhoudsgerechtigde zich zelf opnieuw tot de rechter te wenden om een herziening te bekomen, met een aantal bijkomende kosten tot gevolg.
In een nieuw artikel (artikel 203 quater) wordt voorzien dat onderhoudsbijdragen, zoals omschreven in artikel 203 van het burgerlijk wetboek, voortaan van rechtswege geïndexeerd worden. Het is met andere woorden niet langer noodzakelijk dat in het vonnis een indexatiemechanisme wordt voorzien.
Vanaf 1 augustus 2010 gebeurt de indexatie immers ‘van rechtswege’ op basis van dit nieuwe artikel uit het burgerlijk wetboek.
Daarbij wordt toepassing gemaakt van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het basisindexcijfer dat in aanmerking wordt genomen is dat van de maand die voorafgaat aan de maand waarin het vonnis werd uitgesproken dat over de onderhoudsbijdragen van een of beide ouders uitspraak doet. De rechter behoudt echter wel de mogelijkheid om hiervoor een andere ‘moment’ in aanmerking te nemen.
Het nieuwe artikel bepaalt daarenboven dat jaarlijks een aanpassing dient te gebeuren, telkens in dezelfde maand. Het nieuwe indexcijfer is daarbij van toepassing zodra dit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Let wel, deze nieuwe vorm van automatische indexatie neemt niet weg dat de rechter hiervan in zijn vonnis, of de partijen zelf hiervan bij overeenkomst, kunnen afwijken. Slechts indien de rechter of partijen zelf niets bijzonders voorzien is het met andere woorden van toepassing.
Daarnaast wordt in dit nieuwe artikel ook een mogelijkheid tot van rechtswege verhoging van de onderhoudsbijdrage voorzien. De rechter zal bepalen in welke omstandigheden deze verhoging van rechtswege dient te worden toegepast en dit op verzoek van één van de partijen.
2. Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek
Ook in het gerechtelijk wetboek worden een aantal aanpassingen doorgevoerd, in het bijzonder in de afdeling die de vorderingen van echtgenoten met betrekking tot hun wederzijdse rechten en plichten, en dus ook hun onderhoudsplichten behandelt.
Belangrijk artikel in dit kader is ongetwijfeld dat waarin wordt bepaald wat een rechter beslist rond de wederzijdse onderhoudsbijdragen van ouders voor hun kind(eren) indien de ouders hieromtrent geen overeenkomst hebben kunnen sluiten.
Allereerst zal de rechter, in zijn rechterlijke beslissing, bepalen hoeveel elk van beide ouders dient bij te dragen in het onderhoud van het kind en hoe dit bedrag wordt samengesteld. Daarenboven bepaalt de rechter welke kosten de gewone en welke kosten de buitengewone kosten uitmaken. Ook de verblijfsregeling en de bijdragen in natura van beide ouders worden bij vonnis vastgelegd. Daarenboven worden ook eventuele bijzondere omstandigheden van het dossier door de rechter in acht genomen.
Het vonnis zal bovendien steeds de gegevens van de Dienst Alimentatievorderingen (DAVO) vermelden. Deze dienst werd opgericht in 2003 binnen de FOD Financiën en heeft tot doel voorschotten toe te kennen op, en invorderingen te doen van, onderhoudsbijdragen.
Daarnaast wordt een commissie opgericht die aanbevelingen zal formuleren aan de ministers van Justitie en Gezinnen met betrekking tot de begroting van de kosten die voortvloeien uit onderhoudsverplichtingen van ouders, zoals vastgelegd in het burgerlijk wetboek. De samenstelling en praktische afspraken voor de werking van deze commissie zullen bij koninklijk besluit worden vastgelegd.
Tenslotte wordt in het gerechtelijk wetboek een artikel toegevoegd dat uitdrukkelijk bepaalt dat een uitspraak van de rechter met betrekking tot onderhoudsuitkeringen van rechtswege uitvoerbaar is bij voorraad, tenzij de rechter zelf hierover anders zou beslissen.
3. In werking treden van de nieuwe bepalingen?
De nieuwe regelgeving treedt in werking op 1 augustus 2010 en is van toepassing op elke nieuwe vordering tot toekenning van onderhoudsgeld of tot het uitklaren van wederzijdse onderhoudsverplichtingen ingeleid vanaf die datum. Voor oude zaken, hieronder verstaat men elke procedure ingeleid voor 1 augustus 2010, blijft de oude regelgeving van kracht. Daarbij moet wel die nuance worden geformuleerd dat een wijziging in de onderhoudsbijdrage gevorderd na 31 juli 2010 beschouwd wordt als een nieuwe vordering en dus volgens de nieuwe regels verloopt. Bijkomende voorwaarde is wel dat de wijziging in de bijdrage een gevolg is van wijziging in de omstandigheden van (een van) beide ouders of de kinderen en dat de wijziging gevolg is van omstandigheden buiten de wil van de betrokkenen.
Bron : Wet van 19 maart 2010 tot bevordering van de objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, B.S. 21 april 2010.

