Naar inhoud

Terug naar het overzicht

5-07-10 Ziek op vakantiedagen?

In 2009 deed het Europese Hof van Justitie twee uitspraken waaruit resulteerde dat de Belgische regelgeving m.b.t. de jaarlijkse vakantie in strijd is met de Europese richtlijn nr. 2003/88 van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd. Deze richtlijn heeft tot doel om de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid van de werknemers te verbeteren door de invoering van minimum rusttijden.

Indien een werknemer in België ziek wordt tijdens de schorsing van zijn arbeidsovereenkomst ingevolge jaarlijkse vakantie, wordt deze periode beschouwd als vakantieperiode. De werknemer ontvangt vakantiegeld en heeft dus geen recht op gewaarborgd loon, behalve indien de arbeidsongeschiktheid zou doorlopen tot na de vakantieperiode van de werknemer. Indien, daarentegen, deze werknemer vóór de schorsing van zijn arbeidsovereenkomst ingevolge jaarlijkse vakantie ziek wordt, wordt deze periode beschouwd als een ziekteperiode en kan de geplande vakantie later opgenomen worden. Hierbij speelt het principe “de eerste schorsing primeert”. Het Schultz-Hoff-arrest en het Pereda-arrest door het Europese Hof van Justitie gewezen zetten dit principe op de helling.

In deze e-magazine wordt dieper ingegaan op de Belgische regelgeving, de Europese rechtspraak en het concrete gevolg van deze rechtspraak voor u, als werkgever.

 

1. Belgische regelgeving

De regelgeving inzake jaarlijkse vakantie voor de privé-sector wordt in België geregeld door de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 en het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsbesluiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie.

De vakantie worden toegekend binnen de twaalf maanden die op de periode van het vakantiedienstjaar volgt. Dit houdt in dat het principieel niet toegelaten is een deel van zijn vakantie over te dragen naar een volgend vakantiejaar. Wanneer het echter voor de werknemer onmogelijk is zijn vakantie te nemen (bv. wegens ziekte), dan wordt hem toch het vakantiegeld uitbetaald. De arbeider ontvangt zijn vakantiecheque. Voor bedienden geldt in dit geval een specifieke regeling

Wanneer het onmogelijk is voor de bediende om zijn vakantie geheel of gedeeltelijk op te nemen (vb. moederschapsrust, ziekte, arbeidsongeval,…) of indien het voor de bediende als gevolg van een voltijdse schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst onmogelijk is alle of een deel van de opgebouwde vakantiedagen op te nemen (vb. voltijds ouderschapsverlof, voltijds palliatief verlof,…) moet er uiterlijk in de maand december vakantiegeld worden betaald voor de niet opgenomen dagen. De bediende ontvangt dan enkelvoudig en dubbel vakantiegeld. De bediende verliest dus zijn recht op vakantiedagen maar hij verliest niet het recht op de uitbetaling van het vakantiegeld.

Artikel 68 van het KB van 30 maart 1967 vermeldt de dagen die niet aangerekend mogen worden als jaarlijkse vakantiedagen. Zo worden de dagen van arbeidsonderbreking als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet beschouwd als jaarlijkse vakantiedagen, tenzij de arbeidsongeschiktheid zich voordoet tijden de vakantie.

 

2. Europese regelgeving

Situering

In het Schultz-Hoff-arrest en het Pereda-arrest oordeelde het Europese Hof van Justitie in het kader van prejudiciële vragen m.b.t. artikel 7 van richtlijn 2003/88.

Artikel 7, 1ste lid bepaalt het volgende: De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

Schultz-Hoff-arrest van 20 januari 2009

Feiten

Gerhard Schultz-Hoff was sinds geruime tijd (1971) in dienst bij zijn werkgever. Vanaf 1995 was hij erkend als ernstig gehandicapte, afwisselend arbeidsongeschikt en arbeidsgeschikt. In de periode januari 2004 tot begin september 2004 was hij arbeidsongeschikt. Vervolgens was hij ononderbroken met ziekteverlof tot 30 september 2005, de datum waarop zijn arbeidsovereenkomst eindigde. Hij vorderde van zijn werkgever een vergoeding van de niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon over de kalenderjaren 2004-2005.

De heer Schultz-Hoff stelde beroep in bij het Landesarbeidsgericht Düsseldorf. Deze rechtbank stelde volgende prejudiciële vraag: “Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG aldus worden uitgelegd, dat een werknemer in ieder geval recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken en dat inzonderheid vakantie die een werknemer wegens ziekte niet heeft opgenomen in het vakantiejaar, later mag worden opgenomen, of kunnen nationale wetten en/of gebruiken bepalen dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon vervalt wanneer de werknemer in het vakantiejaar vóór de vakantietoekenning wegens ziekte arbeidsongeschikt wordt en niet opnieuw arbeidsgeschikt wordt vóór het einde van het vakantiejaar respectievelijk het tijdvak van overdracht dat wettelijk is vastgelegd of collectief of individueel is overeengekomen?”

Beslissing van het Hof

Het Hof van Justitie heeft de voormelde richtlijn zo uitgelegd dat iedere werknemer binnen de EU minimaal recht heeft op 4 weken vakantie per jaar. Dit recht van de werknemer kan niet uitgesloten of beperkt worden. Volgens het Hof heeft dit als gevolg dat een werknemer die langdurig arbeidsongeschikt is geweest vanaf het moment dat hij terug arbeidsgeschikt is in de gelegenheid moet worden gesteld om deze minimale periode aan vakantiedagen op te nemen.

Pereda-arrest van 10 september 2010

Feiten

Francisco Vicente Pereda werkt voor Madrid Movilidad SA als een gespecialiseerd chauffeur. Volgens de Spaanse regelgeving dienen werknemers minstens twee maanden voor het begin van hun vakantieperiode door hun werkgever in kennis gesteld te worden van de vakantiedagen waarop ze recht hebben. De heer Pereda kreeg de periode van 16 juli tot en met 14 augustus 2007 toegewezen.

Op 3 juli 2007 kreeg hij een arbeidsongeval waardoor hij tot en met 13 augustus 2007 arbeidsongeschikt bleef. Hij had dus twee dagen jaarlijkse vakantie m.n. 14 en 15 augustus 2007.

Hij verzocht zijn werkgever om voor 2007 een nieuwe periode van jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor hem vast te leggen. Dit verzoek werd afgewezen.

De Heer Pereda stelde beroep in bij de Juzgado de lo Social de Madrid. Deze rechtbank stelde volgende prejudiciële vraag: "Dient artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG aldus te worden uitgelegd dat wanneer de in de planning van de onderneming vastgelegde vakantieperiode samenvalt met een tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een arbeidsongeval dat heeft plaatsgevonden vóór de geplande aanvangsdatum van die vakantieperiode, de getroffen werknemer na zijn ziekteverlof zijn vakantie kan nemen op andere data dan de eerst vastgestelde, ongeacht of het desbetreffende kalenderjaar al dan niet is verstreken?"

Beslissing van het Hof

Volgens het Hof moet het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon beschouwd worden als een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht. Het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is, de werknemer in staat stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Het doel van het recht op ziekteverlof wordt aan de werknemer toegekend om te kunnen herstellen van een ziekte.

Een werknemer die dus met ziekteverlof is tijdens een van tevoren vastgelegde jaarlijkse vakantieperiode heeft het recht om, op zijn verzoek en teneinde daadwerkelijk van zijn recht van jaarlijkse vakantie gebruik te maken, deze vakantiedagen te nemen in een andere periode dan die welke samenvalt met de periode van ziekteverlof.

Artikel 7, 1ste lid van de richtlijn 2003/88 verzet zich tegen nationale bepalingen of cao’s die bepalen dat een werknemer die met ziekteverlof is tijdens de jaarlijkse vakantieperiode die is vastgelegd in de vakantieplanning van de onderneming waar hij werkt, na zijn herstel zijn jaarlijkse vakantie niet kan nemen in een andere periode dan de aanvankelijk vastgestelde periode, in voorkomend geval buiten de overeenkomstige referentieperiode.

Het Hof maakt geen enkel onderscheid naargelang de ziekte begonnen is voor of tijdens de vakantieperiode.

 

3. Het gevolg voor u, als werkgever

Uit voormelde twee arresten volgt dus dat de Belgische wetgeving inzake jaarlijkse vakantie in strijd is met artikel 7, 1ste lid van de richtlijn 2003/88. Zij kent immers geen recht op overdracht van vakantiedagen naar het volgende vakantiejaar toe. Werknemers die ziek zijn en daardoor hun vakantierechten niet kunnen uitoefenen verliezen in principe hun vakantierechten. Om in overeenstemming te zijn met de voormelde richtlijn zal deze regelgeving moeten voorzien in een overdracht van vakantiedagen naar het volgende vakantiejaar in het geval dat het voor de werknemer onmogelijk was om zijn vakantierechten uit te oefenen.

Een voorbeeld ter illustratie:

Een werknemer heeft vakantie gepland vanaf 14 juli 2010 tot en met 30 juli 2010. Hij wordt ziek op 15 juli. Vanaf 14 juli is de arbeidsovereenkomst geschorst op basis van de jaarlijkse vakantie van de werknemer. Ziekte schorst eveneens de arbeidsovereenkomst van de betrokken werknemer. Volgens de huidige regelgeving inzake jaarlijkse vakantie geldt in dit geval het principe “eerste schorsing primeert”. De werknemer ontvangt geen gewaarborgd loon. Deze periode wordt dus aanzien als vakantieperiode. De werknemer is deze vakantiedagen onherroepelijk kwijt en kan deze niet terug vragen aan de werkgever.

Indien deze werknemer ziek wordt op 13 juli, primeert de schorsing ingevolge de ziekte. De werknemer ontvangt in dit geval wel een gewaarborgd loon. Deze periode wordt aanzien als een ziekteperiode. De werknemer kan zijn geplande vakantie op een later tijdstip opnemen.

Voorlopig kunt u als werkgever niets doen en dient u de Belgische regelgeving inzake jaarlijkse vakantie en het principe “eerste schorsing primeert” toe te passen zoals deze regels vandaag gelden.  Uw werknemers kunnen zich ten opzichte van u, als werkgever, niet rechtstreeks beroepen op de richtlijn. Uw werknemers kunnen de uitvoering van deze rechtspraak niet bij u afdwingen.

Momenteel ligt de bal in het kamp van de Belgische wetgever. Het is dus af te wachten wat hij gaat doen. Hij zal om een veroordeling door Europa te vermijden de vakantieregeling moeten wijzigen.

Bronnen

Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971, B.S. 30 september 1971.

Artikelen 64, 67 en 68 van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie, B.S.6 april 1967.

Richt. Comm. EG nr. 2003/88 van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, P.B. L. 299/9 van 18 november 2003.

H.v.J. 29 januari 2009, nr. C-350/06 Gerhard Schultz-Hoff/ Deutsche Rechtenversicherung Bund, P.B. C. 69 van 21 maart 2009, 3.

H.v.J. 10 september 2009, nr. C-277/08 Francisco Vicente Pereda/Madrid Movilidad SA, P.B. C. 267 van 7 november 2009, 20.

Home
Nieuws
Infobank
Acerta Tools
Sectorale akkoorden
Modeldocumenten
Publicaties en kennisdatabanken
Gratis publicaties
Berekeningen en simulaties
Checklists
Bedragen
Verplichtingen werkgever
Aangiften
Mediwe medische controles
Sociale Verkiezingen 2012
Aanbod
Starters
Zelfstandigen en vrije beroepen
Boekhouders en accountants
KMO
Grote ondernemingen
Social Profit
Publieke Sector
Acerta Port & Logistics
Kinderbijslag werknemers
Over Acerta
MyAcerta