09-05-12 Deeltijds werken en het vermoeden van voltijdse tewerkstelling
Wie werknemers deeltijds tewerkstelt, moet een reeks formaliteiten naleven. Deeltijdse roosters moeten op correcte wijze worden bekendgemaakt en afwijkingen nauwkeurig geregistreerd. Bij niet-naleving van deze voorschriften geldt een strenge sanctieregeling.
Sluitstuk in de sanctieregeling is het veelbesproken artikel 22ter RSZ-Wet op grond waarvan de inspectiediensten een vermoeden van voltijdse tewerkstelling kunnen laten gelden ten aanzien van een werkgever die de openbaarmakingsverplichtingen van deeltijdse werkroosters niet naleeft.
Lange tijd bestond onduidelijkheid en discussie over de vraag of dit vermoeden weerlegbaar was of niet. De programmawet van 29 maart 2012 verduidelijkt nu de tekst van het artikel 22ter en dit in navolging van een reeks belangrijke rechterlijke uitspraken. Op basis van de nieuwe tekst van het artikel is het vermoeden van voltijdse tewerkstelling dat door de inspectie kan ingeroepen worden bij niet-nakoming van de bekendmakingsverplichtingen bij deeltijds werken, zonder meer weerlegbaar. Dat betekent dat de werkgever op zijn minst kan proberen te bewijzen dat de werknemer deeltijds heeft gewerkt.
De Programmawet brengt nog een tweede wijziging met zich mee. Het artikel 22ter bevat immers nog een tweede vermoeden dat speelt bij niet-naleving van de verplichte registratie van afwijkingen op de bekendgemaakte roosters. Vanuit een zorg voor gelijkbehandeling en de strijd tegen sociale fraude, wordt hetzelfde type van vermoeden ingevoerd wanneer een werkgever nalaat afwijkingen te registreren. Vroeger kon de inspectie in dat geval een vermoeden inroepen dat de werknemer volgens zijn normale rooster had gewerkt. Voortaan zal ook hier een vermoeden van voltijdse tewerkstelling kunnen worden ingeroepen.
Deze regeling is in werking getreden op 16 april 2012.
Bronnen:
Artikel 22ter RSZ-Wet 27 juni 1969
Artikelen 79 en 80 Programmawet 29 maart 2012, BS 6 april 2012 (3e Ed.)
