08-04-10 Zelfstandige of in loondienst: wat met uw kindergeld?
Tewerkstelling vormt de basis voor het recht op kindergeld
In België is het recht op gezinsbijslag in principe afhankelijk van een beroepsactiviteit. Zo is een rechthebbende iemand met rechtgevende kinderen aan wie een recht op kindergeld wordt ontleend op grond van een effectieve tewerkstelling, een daarmee gelijkstelde situatie (bv.vakantie) of een situatie van non-activiteit (bv. ziekte, werkloosheid). Het kan hierbij gaan om een tewerkstelling als loontrekkende, maar eveneens om het uitoefenen van een zelfstandige activiteit.
Twee stelsels groeien naar elkaar toe
Tot op vandaag ontvangt men in principe voor een eerste kind meer kinderbijslag in het stelsel van de werknemers dan in het stelsel van de zelfstandigen. Is dit onderscheid tussen deze twee geoorloofd of niet? Enerzijds behoeft een kind dezelfde zorgen, doch anderzijds betaalt een zelfstandige minder socialezekerheidsbijdragen. Het is en blijft een eeuwige discussie.
In de Ministerraad werd in november 2006 beslist om deze verschillen stelselmatig weg te werken. Zo werd op 1 april 2007 de kinderbijslag voor het eerste kind in het stelsel van de zelfstandigen verhoogd. Een tweede stap volgde op 1 april 2008: toen werd dit bedrag verhoogd met 9,99 EUR. Ook op 1 januari 2009 werd nog een verhoging doorgevoerd, waarmee de kloof nog kleiner is geworden, maar nog niet verdwijnt. Momenteel ligt het bedrag van de gewone kinderbijslag voor het eerste kind van een zelfstandige nog steeds lager (meer bepaald 5,40 euro) dan in het stelsel van de werknemers. Het blijft dus interessant om weten wanneer welk stelsel van toepassing is.
Op elk principe bestaan uitzonderingen
In principe primeert de wetgeving voor werknemers. Er bestaan echter een aantal uitzonderingen: weeskinderen of kinderen van een invalide zelfstandige.
Is er geen sprake van een uitzonderingssituatie, dan gelden de volgende toepassingsregels, waarbij we steeds vertrekken vanuit het gezin van het kind:
- is daar slechts één rechthebbende (werknemer of zelfstandige), dan wordt het recht vastgesteld in de regeling van die rechthebbende
- is daar één rechthebbende (werknemer of zelfstandige) ouder en één rechthebbende niet-ouder, wordt het recht vastgesteld in de regeling die geldt voor de ouder
- treffen we verschillende rechthebbenden aan (werknemer en zelfstandige), die beiden ouder van het kind zijn, dan primeert de regeling van de werknemers
- maakt geen ouder deel uit van het gezin van het kind, wel andere rechthebbenden (zowel werknemers als zelfstandigen), vallen we terug op de regeling voor werknemers
Let op! Bijkomende voorwaarde speelt belangrijke rol
Om wel degelijk van het voordeliger werknemerstarief te kunnen genieten, moet voor een werknemer die tegelijk zelfstandige is de loontrekkende activiteit zijn hoofdactiviteit zijn. De zelfstandige activiteit dient dan ook in bijberoep uitgeoefend te worden.
Zijn er meerdere rechthebbenden (werknemer en zelfstandige) in het gezin van het kind, dan moet de loontrekkende minstens halftijds tewerkgesteld zijn opdat de regeling loontrekkende zou primeren. Deze voorwaarde speelt zowel tussen ouders onderling als in combinatie met een niet-ouder. Zo heeft een zelfstandige partner (niet-ouder) voorrang op een minder dan halftijds tewerkgestelde moeder.
Die halftijdse norm wordt getoetst aan de contractuele bepalingen van de arbeidsovereenkomst. In combinatie met een mogelijk recht binnen de zelfstandigenregeling betekent dit dat wie een contract voor één week voltijds werk afsluit wel voldoet, wie werkt met een contract van onbeperkte duur à rato van 2 dagen per week daarentegen niet.
In combinatie met toekenningssituaties (bv. werkloosheid) vraagt deze samenloopregeling enige nuance. Zo blijft het recht doorlopen via de zelfstandige vader als moeder werkloos wordt na een minder dan halftijdse tewerkstelling. Tenzij het gaat om een nieuwe geboorte, vermits er dan op het ogenblik van de geboorte voor dat kind nog geen effectief recht op kinderbijslag bestond in de regeling voor zelfstandigen.
Bevindt er zich in het gezin van het kind geen enkele rechthebbende, maar treffen we buiten het gezin van het kind zowel rechthebbende werknemers als rechthebbende zelfstandigen aan, dan gaat de voorrang altijd uit naar het stelsel van de loontrekkende, zelfs al is men minder dan halftijds tewerkgesteld. Zo zal voor een meerderjarig jongere die alleen woont de moeder als werknemer, zelfs minder dan halftijds, primeren op de zelfstandige vader.
Overgang van ene stelsel naar andere
Wanneer een overgang van het ene stelsel naar het andere aan de orde is, zal het betalende kinderbijslagfonds hiervoor de nodige stappen ondernemen. Het enige wat het gezin in kwestie hiervan zal merken is dat het kindergeld voortaan door een ander fonds zal betaald worden en er desgevallend een ander bedrag zal worden uitgekeerd. Uiteraard worden zij van deze transfer schriftelijk op de hoogte gebracht.
Wij hopen met dit artikel enig inzicht bij te brengen in deze complexe materie van de kinderbijslagreglementering. Wij hebben ons evenwel beperkt tot de essentie om het geheel transparant te houden. Wenst u bijkomende informatie, neem dan gerust contact op.
