Home Jouw sector Subsectoren
Subsectoren
- Het gesubsidieerd vrij onderwijs
- De podiumkunsten
- Gezins- en bejaardenhulp
- Bijzondere jeugdbijstand en gehandicaptenzorg
- Beschutte en sociale werkplaatsen
- De socio-culturele sector
- Gezondheidszorg: inrichtingen en diensten
- De welzijns- en gezondheidssector
- De non-profit sector
Het gesubsidieerd vrij onderwijs
De paritaire comités 152 en 225 zijn bevoegd voor de inrichtingen en internaten van het gesubsidieerd vrij onderwijs, en dit respectievelijk voor de arbeiders en de bedienden. Deze comités zijn niet bevoegd voor de vrije universitaire instellingen.
In beide subsectoren samen werkten in het vierde kwartaal van 2008 in totaal 16 461 werknemers, waarvan 11 354 arbeiders en 5 107 bedienden. Ruim drie vierde van de werknemers in deze subsector is vrouw: 12 581 vrouwen tegenover 3 880 mannen.
Bijna 60 % van de werknemers werken in Vlaanderen (9 869), Brussel telt 2 167 werknemers in deze sector en Wallonië 4 425.
De eerste drie elementen van de conceptuele omschrijving van social profit (diensten van sociale aard, geen winstoogmerk en financieringsbronnen) zijn duidelijk van toepassing op deze subsector. Aangaande het vierde element is onderwijs afwijkend. Naast autonome verenigingen kunnen ook overheden (gemeenschappen, provincies, steden en gemeenten) initiatiefnemer zijn van onderwijsinstellingen en –internaten.
De podiumkunsten
Het paritair comité 304 is bevoegd voor de werknemers en werkgevers in het 'vermakelijkheidsbedrijf’: schouwspel en kermis-voorstellingen, individuele- en collectieve kunstbeoefening in de vorm van muziek, zang, dans, mime, gesproken woord, behendigheids- en krachtoefeningen (met uitzondering van betaalde sportbeoefenaars, het filmbedrijf, hoofdarbeiders audiovisuele sector).
Het is een kleine subsector, in het vierde kwartaal van 2008 telde de sector 4 779 werknemers. Niettemin maakt de aard van de activiteit dat het een zeer verscheiden sector is.
Aard en verscheidenheid maken dat podiumkunsten niet noodzakelijk zonder winstoogmerk benaderd worden. Voor financiering kan hier ook beroep gedaan worden op marktmiddelen.
Gezins- en bejaardenhulp
Het paritair comité 318 is bevoegd voor de werknemers en werkgevers van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp.
Het bevat twee subcomités: één voor Vlaamse en één voor Franse, Duitse en Waalse diensten voor gezins- en bejaardenhulp.
In deze subsector werken 36 222 werknemers bij 113 werkgevers. In termen van tewerkstelling is deze subsector bij uitstek een werkgever voor vrouwelijke arbeiders. 85,8 % van de werknemers in dit paritair comité is vrouw en werkt in een paritair comité.
Het aandeel van het Vlaamse Gewest in de tewerkstelling in dit paritair comité bedraagt 71,9 %.
De subsector van de gezins- en bejaardenhulp is een voorbeeld van segment van social profit waar de vier elementen van de conceptuele omschrijving kenmerkend zijn: autonome vzw’s met een sociaal doel en geen winstoogmerk die voor hun financiering beroep doen op giften, bijdragen en overheidssubsidies.
Bijzondere jeugdbijstand en gehandicaptenzorg
Paritair comité 319 is bevoegd voor de werknemers en werkgevers van de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en –diensten. Twee belangrijke
activiteiten die behoren tot dit comité zijn de bijzondere jeugd-bijstand en de gehandicaptenzorg, naast de diensten voor plaatsing in gezinnen, diensten voor gezinsvervangende tehuizen, huisvestingshulp voor bijzondere maatschappelijke groepen.
De sector stelt 56 812 mensen tewerk in het vierde kwartaal van 2008 en telt in die periode 1 281 werkgevers.
60,5 % van de tewerkstelling wordt in het Vlaamse Gewest gerealiseerd, 8 % in het Brussels Gewest en 31,5 % in het Waalse Gewest.
Ook in deze subsector is het aandeel vrouwen in de tewerkstelling hoog. In tegenstelling tot de sector van gezins- en bejaardenhulp betreft het hier in hoge mate bedienden: 69,9 % van de werkneemsters zijn vrouwelijke bedienden. Het aandeel arbeiders (mannen en vrouwen) bedraagt hier nauwelijks 7 %.
Net zoals in de vorige subsector zijn ook in bijzondere jeugdbijstand en gehandicaptenzorg de vier elementen van de conceptuele beschrijving kenmerkend. Gezien de subsidiëring hier loopt via de gewesten en gemeenschappen zien we ook hier een opdeling in paritaire subcomités voor de twee taalgroepen.
Beschutte en sociale werkplaatsen
Het paritair comité 327 is bevoegd voor de bedrijven voor aangepast werk en de sociale werkplaatsen. Het bevat drie subcomités: voor de Vlaamse, de Franstalige, Brusselse en ten slotte voor de Waalse en Duitstalige werkplaatsen.
De sector is een belangrijke werkgever voor arbeiders en in afwijking met een aantal andere subsectoren stelt de sector meer mannen tewerk. Van de 34 257 werknemers zijn er 61,5 % man. Het aandeel mannelijke arbeiders bedraagt 53,5 %. Het aandeel arbeiders (mannen en vrouwen samen) is 86 %.
Ruim tweederde van de tewerkstelling in deze subsector wordt in Vlaanderen gerealiseerd (23 936). De subsector telt 238 werkgevers.
Wanneer we de beschutte en sociale werkplaatsen bekijken vanuit de vier elementen van de conceptuele omschrijving, zien we een opvallende eigenheid. In deze sector is de focus van dienstverlening van sociale aard gericht op het creëren van tewerkstellingsmogelijkheden voor mensen die niet of moeilijk terecht kunnen op de reguliere arbeidsmarkt. Voor het realiseren van deze doelen verstrekken de initiatiefnemers diverse commerciële activiteiten, zoals bijvoorbeeld diensten aan bedrijven, kringwinkels, of groenonderhoud. Met deze activiteiten realiseren ze vervolgens ook eigen financiële inkomsten naast deze vanuit overheidssubsidies.
De socio-culturele sector
Paritair comité 329 is bevoegd voor werknemers en werkgevers in de socio-culturele sector. Tot deze sector behoren onder andere sportverenigingen, samenlevingsopbouw, volksontwikkeling, basiseducatie, ontwikkelings-samenwerking, beroepsopleiding, culturele centra en bibliotheken. Centra voor middenstandsopleidingen,betaalde sportbeoefenaars en politieke partijen behoren niet tot deze sector.
In totaal werken er in deze subsector 41 733 mensen in het vierde kwartaal van 2008. Ze zijn vrij gelijk verdeeld over de drie gewesten: 33 % in het Brussels Gewest, 35,6 % in het Vlaamse Gewest en 31,4 % in het Waalse Gewest. Bedienden hebben hier een overwicht: 86,0 % of 35 893 werknemers. 57,8 % (24 111) van de werknemers is vrouw, doch in vergelijking met andere subsectoren is hier de verhouding mannen-vrouwen gelijkmatiger.
De vier elementen van de conceptuele beschrijving van de social profit zijn ook hier in de socio-culturele sector kenmerkend. Het feit dat er in het oprichtingsbesluit van het paritair comité 329 expliciet vermeld wordt dat het hier om ‘organisaties gaat die geen winstgevend doel nastreven’, geeft aan dat voor een aantal activiteiten in deze sector het best mogelijk is om marktmiddelen aan te trekken of op commerciële basis diensten aan te leveren.
Gezondheidszorg: inrichtingen en diensten
Paritair comité 330 is veruit de grootste subsector van de social profit. Het is bevoegd voor werknemers en bedrijven in de inrichtingen en diensten voor gezondheidszorg.
Niet alleen is het paritair subcomité voor de privé ziekenhuizen met zijn 117 221 werknemers de grootste werkgever van paritair comité 330, deze subsector alleen al is omvangrijker dan eender welk ander paritair comité van de social profit. Ook het paritair subcomité van de rust- en verzorgingstehuizen is met 61 387 werknemers groter dan eender welk ander paritair comité van de social profit. Het paritair comité 330 telt in het vierde kwartaal van 2008 in totaal 217 067 arbeidsplaatsen. (Ter vergelijking: paritair comité 218 telt in totaal 415 829 werknemers in het zelfde kwartaal en de grote industriële sectoren bouw en metaal tellen dat kwartaal respectievelijk 162 652 en 149 461 werknemers).
Dit paritair comité is bij uitstek een sector van vrouwelijke bedienden zoals blijkt uit de grafiek: 71,3 % van alle werknemers in deze subsector zijn vrouwen met een bediendecontract. Het totaal aandeel vrouwen (arbeiders en bedienden samen) bedraagt 83,4 %.
Financiering van ziekenhuizen is een federale aangelegenheid. Paritaire subcomités zijn hier niet verdeeld naar gewest- of gemeenschapsbevoegdheden; het zijn steeds nationale comités bevoegd voor een onderdeel van de gezondheidszorg. Andere onderdelen naast ziekenhuizen en rust- en verzorgingsinstellingen zijn onder andere de thuisverpleging, de revalidatiecentra, de wijkgezondheidscentra en de diensten voor beschut wonen. Net zoals het onderwijs is ook de gezondheidszorg een sector waar de overheid zelf (voornamelijk via steden en OCMW’s) een belangrijke initiatiefnemer is.
In PC 330 is er geen vereiste om vzw te zijn.
De welzijns- en gezondheidssector
Paritair comité 331 en 332 zijn bevoegd voor de kinderopvang en de welzijns- en gezondheidsdiensten en –instellingen. Het eerste is bevoegd voor de Vlaamse en het tweede voor de Franstalige en Duitstalige diensten en instellingen.
In beide PC’s samen werken er 15 854 werknemers. Viervijfde van hen (12 734) zijn vrouwelijke bedienden.
In deze betrekkelijk kleine sector zijn de vier elementen van de conceptuele beschrijving kenmerkend.
De non-profit sector
Paritair comité 337 is een recent opgericht comité. Basisteksten verschenen pas in 2008 in het staatsblad en momenteel is het comité nog niet in werking.
Niettemin registreerde de RSZ in het vierde kwartaal 2008 toch 14 731 tewerkgestelden in deze sector alsook 711 werkgevers.
Het betreft in hoofdzaak bediendenarbeid (95,7 %). Bijna tweederde van het totaal aantal werknemers is vrouwelijke bediende.


