Taxshift: wat heeft 2018 in petto?

13 september 2017

De taxshift is ondertussen meer dan een jaar geleden in gang gezet. We hernemen nog even welke maatregelen in werking zullen treden op 1 januari 2018.

Verlaging basisbijdragevoet

Tot begin 2016 moest u voor nagenoeg elke werknemer minstens 32,4 procent bovenop het brutoloon betalen aan de RSZ als patronale bijdragen. Met deze bijdragen wordt onze sociale zekerheid gespijsd. In het kader van de taxshift werd beslist dat deze bijdragevoet naar beneden zou worden gehaald. Het resultaat is dus een algemenen loonkostenverlaging. Een eerste daling ging in op 1 april 2016. Vanaf die datum betaalt u nog maar 30 procent aan basisbijdragen. Op 1 januari 2018 staat een nieuwe daling gepland. De nieuwe basisbijdragevoet wordt dan 25 procent.
Let wel, de verlaagde basisbijdragevoeten van 30 en 25 procent gelden enkel voor werkgevers uit categorie 1 en 3 van de structurele vermindering. Dat zijn de profit-sectoren, PC 318 voor de gezinshulp en de beschutte en sociale werkplaatsen. De social profit-werkgevers, die grotendeels onder categorie 2 van de structurele vermindering vallen, moeten nog steeds 32,4 procent betalen aan basisbijdragen. Zij kunnen wel profiteren van de Sociale Maribel als maatregel om de loonkost te verlagen.

Structurele vermindering

Ook op 1 januari 2018 wordt de structurele vermindering ingrijpend gewijzigd. Door deze vermindering genoten nagenoeg alle werkgevers van een vermindering van hun loonkost. Dit doordat een bepaald bedrag werd afgetrokken van hun RSZ-factuur. Welk bedrag, dat is afhankelijk van het resultaat van een bepaalde formule. Die formule ziet er anders uit naargelang de werkgever behoort tot categorie 1, 2 of 3 van de structurele vermindering. Voor categorie 1 en categorie 3 wat de valide werknemers betreft, is de wijziging ingrijpend. In plaats van een algemene korting, zal de formule nu enkel nog een resultaat geven voor werkgevers van werknemers die verloond worden onder de lage loongrens. Momenteel is er nog een forfait, waardoor iedereen korting krijgt, en een korting voor als een werknemer verloond wordt boven de hoge loongrens. Die twee elementen verdwijnen dus uit de formule. Maar de lage loongrens stijgt, zodat meer werkgevers in aanmerking komen voor die specifieke korting.

Een voorbeeldje:
U hebt een voltijdse werknemer in dienst aan wie u elke maand een brutoloon van 2200 euro betaalt. Op kwartaalbasis bedraagt zijn refertekwartaalloon dus 6600 euro.
In 2017 (derde en vierde kwartaal) levert dit u 517,23 euro aan structurele vermindering op.

De formule is als volgt:
SV = 438,00 + [0,1369 x (7.178,76 – S)]+ [0,0600 x (W – 13.942,47)]
Aangezien het kwartaalloon van uw werknemer onder de lage loongrens van 7178,76 euro ligt, krijgt u bovenop de forfaitaire korting nog een extra korting.

Vanaf 2018 gaat de formule er anders uitzien, namelijk:
0 + [0,1280 x (8.850,00 - S)]

Voor dezelfde werknemer zal uw korting daardoor maar 288 euro bedragen.

Dit wordt gecompenseerd door de dalende bijdragevoet van 25 procent. Op het brutoloon van 6600 euro zal u nog maar 1650 euro aan RSZ betalen, in plaats van 1980 euro (bij een bijdragevoet van 30 procent). En daar gaat dan nog de structurele vermindering van af.
2017  1980 – 517,23 = 1462,77 euro
2018  1650 – 288 = 1362 euro

U mag dus op uw beide oren slapen, want het eindresultaat is dat uw loonkost daalt in 2018. 

Bijdragen jaarlijkse vakantie arbeiders

Ook in 2018 daalt de bijdrage die u elk kwartaal verschuldigd bent als u arbeiders in dienst hebt. Deze maatregel maakt geen deel uit van de taxshift, maar is nog een gevolg van het eenheidsstatuut. Toen werd immers beslist dat de loonkost voor werkgevers met arbeiders naar beneden moest gehaald worden, als pasmunt voor de hogere ontslagkost door de langere opzegtermijnen ten gevolge van de gelijkschakeling van de ontslagregels voor arbeiders en bedienden. Voor arbeiders betaalt u immers niet rechtstreeks het enkel en dubbel vakantiegeld, maar u financiert het wel via de RSZ-bijdragen.
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 betaalt u nog maar 5,57 procent op het brutoloon van de arbeider. Het jaarlijks debetbericht, waarin u wordt gevraagd 10,27 procent op het brutoloon van uw arbeiders te betalen voor hun vakantie, blijft van kracht.

Deel dit artikel
Terug naar overzicht juridisch nieuws en updates