Vorige

1 op de 10 combineert auto en fiets voor woon-werkverkeer

16 januari 2019
Leestijd: Later lezen?

Populariteit bedrijfswagen stagneert

Brussel, 16 januari 2019 – Meer dan ooit combineren Belgische werknemers verschillende transportmodi. Ruim 11 % van de Belgische werknemers combineert de auto met de fiets. Koning auto blijft het populairst, maar hij wordt wel almaar vaker aangevuld. Met de fiets, maar ook steeds vaker met het openbaar vervoer. Dat kende in 2018 8 % regelmatige gebruikers. Maar 8 %? Ja, maar na de fiets gaat het openbaar vervoer er wel het hardste op vooruit. Opvallend: de populariteit van de bedrijfswagen stagneert in 2018. Deze en meer interessante bevindingen over woon-werkverkeer blijken uit de vierde mobiliteitsbarometer van hr-dienstenverlener Acerta.

Het was de vierde jaarlijkse Acerta-Mobiliteitsbarometer op rij en dit zijn daarvan de opvallendste conclusies:

  • Voor zijn verplaatsing tussen het werk en thuis gaat de Belgische werknemer steeds vaker voor een combinatie van vervoermiddelen. En het liefst combineert hij de auto met de fiets: 11,1 % gebruikt beide om de verplaatsing tussen woonplaats en werkplaats te maken.
  • De populariteit van de fiets zet zich verder door met 26,37 % fietsende werknemers in 2018, dat is alweer een stijging, + 8,9 % deze keer, in 2017 noteerden we reeds 8,2 % fietsers erbij.
  • De auto blijft wel het populairste vervoermiddel: 65 % gaat altijd met de auto naar het werk, 11,88 % combineert hem met andere vervoermiddelen.
  • 19,6 % van de bedienden krijgt een bedrijfswagen ter beschikking die hij ook kan gebruiken om naar het werk te rijden. Dat is een stagnering tegenover de vorige jaren. Grootste stijger na de fiets, is het openbaar vervoer. Dat schakelt 7,8 % hoger, met 8 % regelmatige gebruikers, tegenover 7,42 % in 2017.
  • In 2018 blijft de gemiddelde afstand die een werknemer aflegt tussen woonplaats en job rond de 19 km. 

Fig. 1: evolutie woon-werkverkeer 2018 versus 2017 – combinaties inbegrepen

1 op 10 gebruikt verschillende vervoermiddelen

65 % van de werknemers rijdt elke dag met de auto naar het werk, nog altijd een ruime meerderheid dus. Dat op zich lijkt geen nieuws, maar feit is toch dat dit een daling betekent met 2,5 % t.o.v. 2017. Maar de auto vergaart geen stof in de garage. Meer werknemers kozen in 2018 bewuster voor de manier waarop ze de verplaatsing naar het werk maken. Afhankelijk van de omstandigheden kiezen zij ervoor om de wagen te gebruiken of om voor een ander vervoermiddel te kiezen. En de populairste combinatie is die van auto en fiets. Sommigen combineren dagelijks: ze halen na de langste kilometers te hebben gereden de (plooi)fiets uit de koffer; anderen combineren volgens de omstandigheden van het moment: blijft het droog of moeten ze die dag niet via de crèche, dan gaan ze op de fiets. In 2018 regelde meer dan 1 op 10 werknemers (11,1 %) het woon-werkverkeer op die manier.
Als we het totale aantal werknemers bekijken dat - minstens gedeeltelijk of soms - de wagen gebruikt voor de verplaatsing naar het werk, dan blijft het globale percentage quasi ongewijzigd tegenover 2017: 76,88 % of ruim 3/4e.

De bedrijfswagen niet (meer) het ultieme lokaas

De populariteit van de auto houdt natuurlijk ook verband met de populariteit van de bedrijfswagen. In 2017 reed 19,5 % van de bedienden met een wagen van het werk naar het werk, in 2018 was dat 19,6 %. Dirk Wijns, Director Acerta Consult: “De vorige jaren was er een duidelijke toename van het aantal bedrijfswagens. De stagnering van het aantal bedrijfswagens is dus wel degelijk nieuws. We zien 2 mogelijke verklaringen. De gunstige economische conjunctuur heeft geleid tot een belangrijke groei in de tewerkstelling. Deze groei doet zich in belangrijke mate ook voor bij bedienden die traditioneel eerder uitvoerende taken op zich nemen en niet in aanmerking komen voor een firmawagen. Anderzijds staan meer nieuw aangeworvenen kritischer tegenover de firmawagen dan hun voorgangers. De firmawagen is niet noodzakelijk meer hét te bekomen voordeel in een “onderhandeling” over loon- en arbeidsvoorwaarden. Belangrijker voor een werknemer is bijvoorbeeld dat de werkgever aan de werknemer aanbiedt om zelf een invulling te geven aan een deel van zijn verloning in functie van zijn of haar specifieke behoeften en dan is mobiliteit hiervan een onderdeel. We zijn ervan overtuigd dat werknemers die potentieel in aanmerking komen voor een firmawagen, als het wetsontwerp inzake mobiliteitsbudget goedgekeurd zal worden in het Parlement, vragende partij zullen zijn bij hun werkgever om dit omgezet te krijgen in een mobiliteitsbudget waarmee ze dan zelf hun mobiliteit kunnen organiseren op de manier die het best aan hun behoefte beantwoordt. En dat zal dan dikwijls een keuze zijn voor een kleinere en CO2-vriendelijkere wagen in combinatie met de fiets, het openbaar vervoer of deel-systemen”.

Ruim 1 op 4 fietst

De opmars van de fiets in het traject van en naar het werk begon al in 2011 en zet zich ook in 2018 verder door. In 2018 koos 26,37 % van de werknemers regelmatig voor de fiets, alweer een toename, nu met 8,9 % tegenover vorig jaar. Voor 14,12 % van de werknemers geldt zelfs: de fiets of niets. En alle leeftijden fietsen, zo leren ons de details van de mobiliteitsbarometer. Dat zelfs de 63-plussers meedoen, daar zal de grote populariteit van de elektrische fiets wel voor iets tussen zitten.

Dirk Wijns: “Aanschuivend in de file beginnen werknemers zelf naar haalbare oplossingen te zoeken. Van CEO’s en hr-directeurs horen we dat hun werknemers steeds vaker vragen naar (elektrische) bedrijfsfietsen. Werkgevers reageren hierop door in een cafetariaplan te voorzien waarin werknemers een deel van hun loon op een andere manier dan cash kunnen invullen. Mobiliteit is in de meeste cafetariaplannen een belangrijk onderdeel. In verschillende bedrijven worden zelfs cafetariaplannen opgebouwd waarin alleen mobiliteitsoplossingen worden aangeboden. Naast upgrades en downgrades van de firmawagen of de mogelijkheid voor werknemers om de keuze te maken voor een wagen die hen door de werkgever ter beschikking wordt gesteld (de zogenaamde cafetariawagens) voorzien heel veel cafetariaplannen in de optie van een bedrijfsfiets. Deze kan dan door de werknemer gebruikt worden voor zijn privé-verplaatsingen, maar moet ook op regelmatige wijze gebruikt worden voor de verplaatsing woonplaats-werk. En de fietsers hebben ook de overheden mee: niet alleen staat de wetgeving rond het mobiliteitsbudget op stapel, overheden op alle niveaus zetten ook in op infrastructuur die het aangenamer en veiliger maakt om de fiets te gebruiken.”

8 % springt op trein-tram-bus

Al in 2017 was er een lichte toename in de interesse in het openbaar vervoer. In 2018 kwam je 8 % van de werknemers regelmatig tegen op trein, tram, bus of metro. Voor 6,28 % van de werknemers is dat zelfs het enige vervoersmiddel dat ze gebruiken voor hun verplaatsing naar het werk. Het blijft een bescheiden aandeel, maar we merken toch een duidelijke stijging. En blijkbaar vinden ze elkaar ook net iets vaker dan vroeger, het vaakst in die regio’s waar het aanbod het beste is uitgewerkt. Dirk Wijns: “In realiteit zal het openbaar vervoer nog wel meer dan 8 % van de werkende Belgen bereiken. In onze Acerta-barometer zitten immers niet de gegevens van de openbare sector. En de werknemers in de overheid zijn in zeer grote meerderheid trein- en busreizigers voor hun verplaatsing naar en van kantoor.”

Fig. 2: Verdeling verschillende mobiliteitsoplossingen (2018)

19 km is de woon-werkafstand, een fietsbare afstand

Belgen werken gemiddeld op 19 km van waar ze wonen. Dat gemiddelde blijft jaar na jaar nagenoeg gelijk. Fietsers hebben gemiddeld een afstand van 8 kilometer en 300 meter te overbruggen tussen de woonplaats en de werkplaats. Dirk Wijns: “Er zijn vandaag heel wat vacatures, een situatie die de bereidheid om van job te veranderen een duwtje kan geven. Die realiteit heeft er wel niet toe geleid dat werknemers massaal een andere baan zijn gaan zoeken dichter bij huis. De woon-werkafstand blijft nagenoeg ongewijzigd. En de 200.000 werknemers die het voorbije jaar tot de arbeidsmarkt zijn toegetreden, hebben blijkbaar ook geen impact gehad op het gemiddelde van 19 km woon-werkafstand. Aangezien 19 km almaar meer – door snellere fietsen en betere fietswegen – een fietsbare afstand wordt, zit het er zeker in dat de (bedrijfs)fiets ook de komende jaren nog aan terrein zal winnen.” 

Over het onderzoek

De verzamelde gegevens zijn gebaseerd op de werkelijke loongegevens van de werknemers in dienst bij meer dan 40.000 werkgevers uit de private sector, waartoe zowel kmo’s als grote ondernemingen behoren. De data werden via de Acerta-Mobiliteitsbarometer verzameld tussen 2017 en 2018 en geven een representatieve weergave van de Belgische werknemerspopulatie. Acerta voert metingen uit op kwartaalbasis.

Deel dit artikel