Vorige

Kamer keurt mobiliteitsbudget, het alternatief voor cash for car, goed

20 februari 2019
Leestijd: Later lezen?

Acerta: slechts 65 op 100.000 Belgen ruilden bedrijfswagen in voor cash

Brussel, 22 februari 2019 - De mobiliteitsvergoeding (beter bekend als cash for car) is geen succes. Uit de cijfers van Acerta blijkt dat in het eerste jaar dat het systeem bestaat slechts 65 op 100.000 bedrijfswagen of 0,065% van alle bedrijfswagens op deze manier van de weg zijn gehaald. Er zal waarschijnlijk meer animo zijn voor het mobiliteitsbudget volgens Acerta. Dat keurde de Kamer gisteren goed. Het mobiliteitsbudget treedt normaal op 1 maart in werking.

Mobiliteitsvergoeding of “cash for car”

Dirk Wijns, Director Acerta Consult: “Het stond in de sterren geschreven dat de mobiliteitsvergoeding, ingevoerd vanaf 1 januari 2018, niet erg succesvol zou zijn.  Immers, de werknemer die hiervoor kiest doet afstand van zijn firmawagen en moet voortaan zelf al zijn verplaatsingen en deze van zijn gezin financieren en organiseren. Een tussenkomst van de werkgever in de woon-werkverplaatsing is bovendien uit den boze.

Het bedrag van de mobiliteitsvergoeding wordt vastgesteld op basis van de catalogusprijs van de wagen die ingeleverd wordt.  De formule is als volgt: catalogusprijs X 6/7e X 24% (20% indien de werknemer niet beschikte over een tankkaart). Op de mobiliteitsvergoeding betaalt de werknemer nog belastingen.

Stel een VOLVO XC40 D3 XC40 150PK 5d/p MAN6, diesel met een CO²-uitstoot van 128 g/km en een catalogusprijs (BTW in) van 34.822 euro.   De mobiliteitsvergoeding bedraagt in dat geval 7 163,38 euro/jaar (merk op dat deze niet afhankelijk is van het aantal kilometers dat met de wagen wordt gereden).  De werknemer zal hierop een belasting betalen (aan marginaal tarief) van 638,74 euro/jaar. Netto vertegenwoordigt deze mobiliteitsvergoeding dus 6.524,64 euro/jaar of 543,72 euro.  

Met deze vergoeding moet de werknemer niet alleen zorgen dat hij de verplaatsing tussen de woonplaats en de werkplaats financiert, maar ook alle andere private verplaatsingen die  hij voordien met de bedrijfswagen aflegde.

Mobiliteitsbudget zal succesvoller zijn dan cash for car

Dirk Wijns: ”Vergeleken met de cash for car-regeling is het  mobiliteitsbudget een meer geavanceerde maatregel: de werknemer krijgt een mobiliteitsbudget (budget dat hoger is dan de mobiliteitsvergoeding) ter beschikking.  Dit budget zal veelal hoger liggen dan wat hij als bruto mobiliteitsvergoeding kan ontvangen. Hij kan hiermee in eerste instantie kiezen voor een elektrische of CO²-arme wagen die de werkgever hem ter beschikking kan stellen. In de mate dat het mobiliteitsbudget hiervoor niet is gebruikt, kan hij het gebruiken voor de financiering van andere duurzame vervoermiddelen. Enkel het deel van het budget dat op het einde van het jaar niet is opgebruikt, wordt hem uitbetaald na een inhouding van 38,07%. Indien werkgevers inderdaad een CO²-zuiniger wagen kunnen en willen aanbieden aan de werknemers die van het mobiliteitsbudget gebruik willen maken, zal het mobiliteitsbudget succesvoller worden dan de ‘cash for car’-regeling.

Het mobiliteitsbudget biedt aan de werknemer een brutobudget dat hij kan aanwenden voor de organisatie van zijn duurzame mobiliteit. Alleen wat hij niet besteed heeft, wordt onderworpen aan een inhouding. Een belangrijk verschil met de mobiliteitsvergoeding die wel direct een belasting ondergaat. 

Bovendien heeft de reglementering inzake mobiliteitsbudget als ambitie dat de werkgever die dit in zijn bedrijf introduceert ook zijn wagenvloot vergroent. Immers, in de ideale wereld voorziet de werkgever dat zijn werknemers die afstand doen van hun firmawagen de beschikking kunnen krijgen over een andere firmawagen die elektrisch rijdt of voldoet aan strenge emissienormen (het goedgekeurde wetsontwerp voorziet dat de uitstoot beperkt moet zijn tot 105 g/km in 2019, tot 100 g/km in 2020 en tot 95 g/km vanaf 2020).

Wordt het budget hiervoor niet gebruikt, dan kan de werknemer het brutobedrag aanwenden voor de financiering van zijn mobiliteit met duurzame vervoersmiddelen. Bijzonder interessant, onder het motto “de groenste kilometer is deze die niet gereden is”, is dat bv. ook huurgelden of intresten van een hypothecaire lening van een woning binnen een straal van 5 kilometer van de werkplaats gelijkgesteld worden met een duurzaam vervoermiddel.

Vertrekkend van bovengenoemd voorbeeld van de Volvo XC40, zou de situatie zich als volgt kunnen voordoen:

Werkgever en werknemer sluiten een akkoord over de toekenning van het mobiliteitsbudget. Gelet op de totale gebruikskost van de wagen bedraagt dit 11.616 euro/jaar.

De werkgever kiest voor de terbeschikkingstelling door zijn werkgever van een kleine benzinewagen  met een CO-uitstoot van  94 g/km.   De totale kost van deze wagen voor de werkgever bedraagt op jaarbasis 9.270 euro. Deze “groenere” firmawagen kan door de werknemer nog steeds gebruikt worden voor al zijn verplaatsingen. De werkgever mag ook in dit geval een tankkaart ter beschikking stellen.
Met het saldo kan de werknemer zich nog een leasefiets aanschaffen van bv. 75 euro/maand.

In dat geval houdt hij nog 1.446 euro over die de werkgever hem op het einde van het jaar na een inhouding van 38,07% moet uitbetalen. Het saldo van 895,51 euro kan de werknemer vrij besteden en is niet belastbaar.

Deel dit artikel