Voldoe jij aan de startbaanverplichting?

07 januari 2019

Als werkgever moet je voldoende jongeren in dienst nemen. Eind jaren negentig voerde de overheid immers de startbaanverplichting in, op basis waarvan werkgevers die een bepaald aantal werknemers in dienst hebben, verplicht worden een wettelijk vastgesteld aantal jongeren tewerk te stellen.

Aan de verplichting is, onder voorwaarden, het voordeel van een RSZ-vermindering gekoppeld. De koppeling tussen verplichting en voordeel is weliswaar gewijzigd onder invloed van de regionalisering. De federale RSZ-vermindering jonge werknemers werd intussen immers overal afgeschaft. Enkel Vlaanderen werkte een alternatieve RSZ-vermindering uit, maar past deze ook toe wanneer de startbaanverplichting niet wordt nageleefd. In Wallonië, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in de Duitstalige Gemeenschap werden andere alternatieven voor jonge werknemers uitgewerkt. Er geldt wel nog een overgangsregime voor werknemers die in dienst zijn gekomen bij een werkgever in Wallonië voor 1 juli 2017 tot uiterlijk 30 juni 2020 en voor werknemers die waren tewerkgesteld bij een werkgever gevestigd in de Duitstalige Gemeenschap voor 1 januari 2019.

Op basis van de volgende paragrafen kun je nagaan of er op jouw onderneming een startbaanverplichting rust en hoe groot de verplichting in dat geval is.  

Wie moet voldoen aan de startbaanverplichting?

De individuele startbaanverplichting

Alle werkgevers uit de openbare en private sector die op 30 juni 2018 een personeelsbestand hadden van minstens vijftig werknemers hebben een individuele startbaanverplichting. Zij moeten verplicht een aantal jongeren in dienst hebben en houden, hetzij aanwerven of vervangen in 2019. Men telt daarbij het personeelsbestand op 30 juni 2018 in koppen. Dit betekent dus dat iedere werknemer – ook de deeltijdse – die op 30 juni van het voorafgaande jaar (2018) in dienst was, meetelt voor één eenheid en bepaalt of de werkgever al dan niet “startbaanplichtig” is in het nieuwe jaar (zodra er 50 werknemers of meer in dienst zijn, valt de werkgever onder de startbaanverplichting).

De collectieve startbaanverplichting

Voor de werkgevers uit de private sector geldt daarenboven een bijkomende collectieve startbaanverplichting, ongeacht het aantal werknemers dat elk van hen afzonderlijk tewerkstelt. Aan verplichting kan zowel voldaan worden door de werkgevers die onderworpen zijn aan de individuele startbaanverplichting als door werkgevers met minder dan vijftig werknemers die niet onderworpen zijn aan deze individuele verplichting.

Tot de werkgevers van de private sector behoren de volgende werkgevers:

  • alle natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersonen
  • autonome overheidsbedrijven
  • openbare kredietinstellingen
  • intercommunales en interprovinciales met commerciële of industriële activiteit

Tot de werkgevers van de openbare sector behoren dan weer:

  • alle publiekrechtelijke rechtspersonen (met uitzondering van de publiekrechtelijke rechtspersonen vermeld hierboven)
  • werkgevers uit de private sector die behoren tot de non-profit 

Hoe groot is je startbaanverplichting?

Heeft een werkgever op basis van de berekening op 30 juni minstens 50 werknemers in dienst, dan is hij startbaan-plichtig in het volledige volgende jaar. De omvang van de startbaanverplichting moet dan worden vastgesteld op basis van onderstaande principes.

Private sector

De individuele startbaanverplichting voor werkgevers in de private sector bedraagt 3 % van het personeelsbestand in het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in voltijds equivalenten (VTE). Voor 2019 moet met andere woorden gekeken worden naar het aantal voltijds equivalenten dat de betrokken werkgever in het volledige 2e kwartaal van 2018 in dienst had.

Openbare sector

De werkgever uit de openbare sector heeft een startbaanverplichting van slechts 1,5 % van het personeelsbestand in het tweede kwartaal van het voorgaande jaar, uitgedrukt in VTE.

Voor de federale staat, en de overheidsinstellingen die ervan afhangen, bestaat een aparte regeling. Voor hen geldt een startbaanverplichting van 3 % van het personeelsbestand, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, tijdens het 2e kwartaal van het voorafgaande jaar. Met andere woorden hun startbaanverplichting is in de praktijk even groot als die voor werkgevers uit de private sector.

Het personeelsbestand, berekend in VTE over het 2e kwartaal van het voorgaande jaar, is de som van de VTE -breuken van de individuele werknemers, inclusief eventuele in en uit dienst getreden werknemers in de loop van dit kwartaal, voor de duur van hun tewerkstelling.

Opgelet, om het personeelsbestand op 30 juni te bepalen moeten de jongeren die met een startbaanovereenkomst worden tewerkgesteld niet worden meegeteld.

Hoe voldoe je aan de startbaanverplichting?

Zodra de werkgever weet hoe groot zijn startbaanverplichting is, moet hij ervoor zorgen het vereiste aantal jongeren aan te werven en/of in dienst te houden gedurende het volledige komende kalenderjaar. Als de startbaanverplichting bijvoorbeeld 5,5 VTE bedraagt (op basis van de berekening van de gegevens van (het 2e kwartaal van) 2018), moet de werkgever zoveel jongeren in dienst hebben en houden gedurende het volledige jaar 2019.

Voor het invullen van de startbaanverplichting worden alle werknemers onder 26 jaar meegeteld voor wie de werkgever één of meerdere RSZ -werkgeversbijdragen verschuldigd is. Elke jongere telt mee, tot en met het einde van het kwartaal waarin de jongere de leeftijd van 26 jaar bereikt, ongeacht het feit of de jongere tewerkgesteld wordt in het kader van een startbaan en ongeacht het recht op eventuele RSZ-verminderingen voor jonge werknemers. Jobstudenten tellen, in de mate dat zij tewerkgesteld zijn onder solidariteitsbijdragen, niet mee.

Elke jongere onder 26 jaar die met een arbeidsovereenkomst tewerkgesteld is, wordt voor minstens ½ beschouwd als een jongere met startbaanovereenkomst, voor zover de werkgever deze jongere als dusdanig aangeeft in zijn kwartaalaangifte aan de RSZ (DMFA). In een aantal gevallen is een verklaring op eer of een attest van een bevoegde instantie vereist omtrent dubbeltelling van een werknemer in het kader van de startbaanverplichting. Niet elke aangeworven jongere weegt even zwaar voor het voldoen aan de startbaanverplichting. Afhankelijk van het type overeenkomst waarmee de jongere is aangeworven en afhankelijk van de doelgroep waartoe de jongere behoort, zal hij een waarde hebben schommelend van zijn effectief tewerkstellingspercentage in VTE tot maximaal 2 VTE.

Er zijn drie soorten “startbaanovereenkomsten”:

  • Type 1
    Een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst, die door de werkgever als dusdanig wordt aangegeven aan de RSZ (in de DMFA)
  • Type 2
    De combinatie van een minstens halftijdse overeenkomst met een opleiding
  • Type 3
    Een leerovereenkomst

De jongeren met een startbaanovereenkomst van het type 1, tellen mee in VTE. Let wel, u hebt er als werkgever baat bij elke jongere die aan de voorwaarden voldoet als “startbaan-er” aan te geven aan de RSZ (in uw DMFA aangifte). Deze jongeren worden immers niet meegeteld bij het bepalen van het bestand op 30/6 en evenmin in het bestand met VTE van het 2e kwartaal van het voorgaande jaar.

Jongeren die een startbaanovereenkomst van het type 2 of 3 hebben, worden als één voltijds equivalent beschouwd. Er wordt met andere woorden abstractie gemaakt van hun effectief tewerkstellingspercentage. Daarenboven geldt voor deze jongeren met een overeenkomst type 2 of 3 dat zij dubbel tellen voor het invullen van de startbaanverplichting.

Ook personen met een handicap of personen van buitenlandse afkomst tellen dubbel voor de invulling van de startbaanverplichting, ten minste voor zover hiervan melding wordt gemaakt op hun werkkaart START. Deze dubbeltelling geldt al sinds verschillende jaren. Het is voor uw hooggeschoolde werknemers met een handicap of met een migratie-achtergrond, die in aanmerking komen voor een dubbeltelling wel nodig een bewijs voor te kunnen leggen van deze dubbeltelling. Gaat het om een jongere met een handicap, dan zal bijvoorbeeld het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of het Waals Agence pour une Vie de Qualité dit attesteren. Wat de buitenlandse afkomst betreft, volstaat het voor de jongere om een verklaring op eer te ondertekenen.

Er kan slechts één dubbeltelling worden toegepast in het kader van de invulling van de startbaanverplichting.

In alle andere gevallen zal de jongere worden meegerekend in verhouding tot zijn tewerkstellingspercentage.

Een voorbeeld

Een werkgever uit de private sector heeft op 30 juni 2018 235 werknemers tewerkgesteld (geteld in koppen). Dit betekent dat hij onderworpen is aan de startbaanverplichting voor het jaar 2019.
Tijdens het tweede kwartaal 2018 heeft de werkgever een personeelsbestand van 204 VTE. De werkgever moet er in 2019 dan ook voor zorgen minstens om 6,12 VTE jongeren in dienst te hebben (204 VTE x 3 %).

Stel dat deze werkgever de volgende jongeren al in dienst heeft

Dan geeft de berekening van de invulling van de startbaanverplichting het volgende resultaat

1 jongere
voltijds met een gewone arbeidsovereenkomst

1 VTE

1 jongere
met een contract type 2

2 VTE
(type 2 telt mee in VTE en telt bovendien dubbel)

1 jongere
met een contract type 3 en allochtoon

2 VTE
(type 3 telt mee in VTE en telt dubbel,
er geldt geen bijkomende dubbeltelling)

1 jongere die 75% werkt

0,75 VTE

1 voltijdse allochtoon
met startbaanovereenkomst type 1

2 VTE
(allochtoon telt dubbel)

Totaal

7,75 VTE

In totaal heeft de werkgever al 7,75 VTE in dienst en hij moet dan ook, zolang deze tewerkstelling gehandhaafd blijft, geen extra jongeren aanwerven.

Kan je ook vrijgesteld worden van de startbaanverplichting?

Algemene vrijstellingen

Een aantal categorieën van werkgevers zijn geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de startbaanverplichting als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen of een aantal formaliteiten vervullen, meer bepaald:

Sector Voorwaarde
Onderwijs alle door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstellingen

de non-profit werkgever
of het geheel van werkgevers die tot eenzelfde non-profit sector behoren

een redelijke inspanning hebben geleverd ten gunste van de werkgelegenheid

plaatselijke besturen

gebonden door een goedgekeurd saneringsplan of beheersplan dat een inkrimping van het personeel oplegt

plaatselijke besturen en non-profit ondernemingen

in financiële moeilijkheden

ondernemingen

In moeilijkheden

ondernemingen of sectoren

een redelijke inspanning hebben geleverd ten gunste van de werkgelegenheid

ondernemingen

geconfronteerd worden met een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand

Alle werkgevers

(Opgelet: vrijstelling beperkt tot 1/3)

stageplaatsen aanbieden overeenkomstig de voorwaarden en mits het voorafgaandelijk akkoord van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

 

Specifiek sectorale vrijstellingen

PC 120 en PC 214 textielnijverheid en breiwerk  

1 januari 2018 - 31 december 2019

PC 118 en 220 Voedingsnijverheid

1 januari 2018 - 31 december 2019

PC 140 vervoer en logistiek. Voor de volgende subsectoren :

  • PC 140.01 Autobussen en autocars
  • PC 140.02 Taxiondernemingen
  • PC 140.03 Wegvervoer en logistiek voor rekening van derden

1 januari 2018 - 31 december 2019

PC 129 voortbrenging van papierpap, papier en karton

1 januari 2018 - 31 december 2019

PC 126 stoffering en houtbewerking

1 januari 2018 - 31 december 2019

PC 124 Bouw

1 januari 2018 – 31 december 2019

PC 327.01 Beschutte werkplaatsen

1 januari 2018 – 31 december 2019

 

Bijzondere bepalingen

Daarnaast zijn er nog een aantal bijzondere bepalingen voor seizoensondernemingen en ‘groepen van werkgevers’ (deze laatste is een technische bedrijfseenheid die uit verschillende juridische entiteiten bestaat die een economische en sociale samenhang hebben).

Ook zijn er bijzondere bepalingen van toepassing op een gefusioneerde onderneming en een gesplitste onderneming. Zij kunnen allen met de minister van Werk een tewerkstellingsovereenkomst sluiten. Hiertoe moeten ze een aparte procedure volgen.

Wat riskeer je als je de startbaanverplichting niet naleeft?

Leeft een werkgever de regelgeving rond de startbaanverplichting niet na, dan riskeert hij sancties. Deze sancties zijn dubbel en doen zich voor in twee omstandigheden:

  • De werkgever die zijn individuele startbaanverplichting van 1,5% of 3% niet naleeft of de collectieve aanwervingsplicht niet heeft nageleefd.
  • Aanwervingen met een startbaanovereenkomst die worden gecompenseerd door ontslag van personeel.

De werkgever die zich aan een van deze overtredingen schuldig maakt en zijn startbaanverplichting met andere woorden niet nakomt, moet enerzijds een compenserende vergoeding betalen van 75 euro vermenigvuldigd met (afhankelijk van de omstandigheden):

  • Ofwel het aantal dagen dat het verplichte aantal jongeren niet werd tewerkgesteld en/of het aantal dagen dat de aanwerving van jongeren gecompenseerd werd door het ontslag van personeel uitgedrukt in kalenderdagen, dus met inbegrip van zon- en feestdagen
  • Ofwel het aantal jongeren dat niet tewerkgesteld werd en/of het aantal werknemers dat werd ontslagen om de aanwerving van jongeren met een startbaanovereenkomst te compenseren, uitgedrukt in voltijdse equivalenten

De compenserende vergoeding wordt gestort aan de “RSZ Globaal Beheer”. 

Bovendien zal de betrokken werkgever in principe het recht verliezen op alle RSZ-verminderingen voor jonge werknemers waarop hij nog aanspraak had kunnen maken. Voor werkgevers in Vlaanderen is deze sanctie sinds 1 juli 2016 echter afgeschaft. Zij moeten nog steeds aan de startbaanverplichting voldoen, maar het niet naleven ervan heeft geen impact meer op het recht om een RSZ-vermindering aan te vragen.

Formaliteiten voor de RSZ-vermindering

De federale RSZ-vermindering werd inmiddels in alle regio’s afgeschaft. In Vlaanderen zijn er nieuwe RSZ-verminderingen voor laag- en middengeschoolde jongeren, terwijl in Wallonië en Brussel jongeren die aan de voorwaarden voldoen recht geven op een werkuitkering. De Duitstalige Gemeenschap werkt met eigen subsidies vanaf 1 januari 2019.

Er geldt wel nog een overgangsregime voor werknemers die in dienst waren bij een werkgever in Wallonië voor 1 juli 2017 en voor werknemers in dienst bij een werkgever uit de Duitstalige Gemeenschap voor 1 januari 2019. Voor Wallonië moet de werknemer hiervoor een Werkkaart kunnen voorleggen die werd uitgereikt door ForeM. Werkgevers uit de Duitstalige Gemeenschap moeten een werkkaart kunnen voorleggen die hiervoor uiterlijk op 30 juni 2019 nog bij de RVA werd aangevraagd.

Alle informatie over de startbaanverplichting kan worden nagelezen in Afdeling 85.III van de Sociale Gids in Trefzeker.

Deel dit artikel
Terug naar overzicht juridisch nieuws en updates