De scheikundige nijverheid (PC 116 & 207) heeft een sectoraal akkoord bereikt
De sociale partners in de scheikunde hebben een sectoraal akkoord bereikt voor de periode 2025-2026. Dit sectoraal akkoord zal nog verder uitgewerkt worden in uitvoerende sectorale cao’s die op een later datum worden gepubliceerd. Hieronder geven we al een overzicht van de belangrijkste zaken.
Het akkoord voor de arbeiders en bedienden is grotendeels gelijklopend. Mocht er een afwijking zijn, vermelden we dit expliciet.
De afdelingen Kunststof West-Vlaanderen en Limburg zijn momenteel nog steeds aan het onderhandelen over hun sectoraal akkoord.
Koopkracht
Minimumlonen
Vanaf 1 januari 2026 stijgen de sectorale minimumlonen. Voor arbeiders stijgen het minimum aanvangsuurloon en het bruto minimumuurloon vanaf 12 maanden anciënniteit met 0,10 euro (40 urenstelsel).
Voor baremieke bedienden stijgt het bruto minimum ervaringsmaandloon met 17,333 euro (40-urenstelsel).
Ook vanaf 1 januari 2026 worden de sectorale minimumploegenpremies verhoogd (40-urenstelsel):
- Vroege/late ploegen: +0,95 euro bruto per uur,
- Nachtpremie: +3,10 euro bruto per uur.
Maaltijdcheques
Voor ondernemingen die reeds maaltijdcheques toekennen, stijgt de werkgeversbijdrage vanaf 1 april 2026 met 2,00 euro.
Voor ondernemingen zonder eigen regeling geldt vanaf 1 april 2026 een sectorale maaltijdcheque van 3,09 euro (2,00 euro werkgeversbijdrage en 1,09 euro werknemersbijdrage).
Indien ondernemingen maaltijdcheques invoeren of verhogen in de periode van 1 januari 2026 tot 1 april 2026 mogen de bovenstaande bedragen in mindering gebracht worden.
De volgende categorieën hebben geen recht op maaltijdcheques:
- studenten,
- werknemers die gebruik kunnen maken van een bedrijfsrestaurant met een werkgeverstussenkomst,
- niet-sedentaire werknemers die een maaltijdvergoeding ontvangen.
Tenzij op ondernemingsvlak deze categorieën al maaltijdcheques kregen toegekend.
Vervoer/mobiliteit
Vanaf 1 juli 2026 verhoogt de sectorale tussenkomst in NMBS‑parkings tot 30 euro per maand (werkgeverskost). Alle andere bestaande vervoersmaatregelen blijven ongewijzigd.
Flexi-jobs
Flexi jobs worden in de sector uitgesloten, tenzij de onderneming hierover een expliciet akkoord sluit met de vakbondsafvaardiging of, bij gebrek daaraan, met de vakorganisaties.
Vergoedingen bestaanszekerheid
De aanvullende sectorale vergoeding bij tijdelijke werkloosheid wordt vanaf 1 januari 2026 uitgebreid naar alle bedienden, inclusief kaderleden. De vergoeding stijgt naar 14,50 euro per dag en naar 15 euro per dag vanaf 1 december 2026. Het maximumaantal vergoede dagen stijgt naar 65 dagen.
Daarnaast stijgt vanaf 1 januari 2026 de aanvullende vergoeding bij volledige werkverwijdering wegens zwangerschap of borstvoeding naar 18 euro per niet‑gewerkte dag.
Tijdskrediet/ouderschapsverlof
De bestaande regelingen over tijdskrediet met zorgmotief en motief opleiding worden verlengd tot 30 juni 2027.
Eindeloopbaanmaatregelen
Landingsbanen
De regeling rond landingsbanen wordt versterkt. Vanaf 1 januari 2026 geldt voor alle werknemers (arbeiders en bedienden) een aanvullende vergoeding van 80 euro bruto per maand bij zowel 1/5e als 1/2e landingsbaan. De werknemer in kwestie moet wel de minimale leeftijd van 60 jaar (55 jaar bij zwaar beroep) bereikt hebben en een minimale anciënniteit van 5 jaar in de onderneming hebben verworven.
Ontslag om economische of technische redenen of redenen van structurele aard
Vanaf 1 januari 2026 wordt de aanvullende vergoeding bij ontslag om economische of technische redenen of redenen van structurele aard uitgebreid naar de baremieke bedienden.
Pensioenpremie
Verder komt er een netto pensioenpremie voor arbeiders en baremieke bedienden in niet‑geconventioneerde ondernemingen van 40 euro per jaar anciënniteit, met een maximum van 1.000 euro, mits voldaan is aan specifieke ploeg‑ of nachtarbeidvoorwaarden.
Leeftijdsdagen
Vanaf 1 juli 2026 wordt de bestaande regeling in ondernemingen met een gemiddelde arbeidsduur op jaarbasis van 38 uur uitgebreid naar 2 leeftijdsdagen voor werknemers die 60 jaar zijn en geen aanspraak kunnen maken op anciënniteitsverlof (zonder dat de som van de leeftijds- en anciënniteitsdagen meer dan 3 kan zijn).