Wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting ingediend in de Kamer – impact op de loonverwerking
Op 17 december 2025 werd het Wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting ingediend in de Kamer. Het ontwerp bevat een geheel aan maatregelen die een grote hervorming van de personenbelasting moeten realiseren, gespreid over de periode van 2026 tot 2031.
De maatregelen hebben onder andere betrekking op de versterking van bepaalde fiscale voordelen (zoals de belastingvrije som) en de afbouw van andere voordelen (belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten, huwelijksquotiënt…), de invoer van nieuwe, versterkte voordelige overurenregimes…
Hieronder bespreken we de maatregelen met impact op de loonfiscaliteit en de loonberekening. Voor de toepassing van deze maatregelen bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing zullen ze nog omgezet moeten worden in een wijziging van Bijlage III bij het KB/WIB 92.
Verhoging van de belastingvrije som
Het basisbedrag van de belastingvrije som wordt gefaseerd verhoogd, tussen de aanslagjaren 2027 en 2031. De belastingvrije som is het deel van het belastbaar inkomen waarop geen belastingen moeten worden betaald (ook belastingvrij minimum genoemd). Elke belastingplichtige heeft recht op een basisbedrag aan belastingvrije som.
De optrekking van dit belastingvrij deel heeft dus een belastingverlagend effect. Aangezien de berekening van de bedrijfsvoorheffing anticipeert op de verschuldigde personenbelasting zal deze optrekking op termijn ook doorwerken in de berekeningsregels in Bijlage III KB/WIB 92.
In het kader van de administratieve vereenvoudiging zal de belasting op de belastingvrije som in de toekomst ook opnieuw op dezelfde manier berekend worden als de belasting op het gezamenlijk belaste inkomen (basisbelasting).
Afbouw belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten
Parallel aan de verhoging van de belastingvrije som wordt de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten geleidelijk verlaagd. Zo wil men het voordeel van de verhoging van de belastingvrije som vooral geven aan wie werkt. Voor wie een vervangingsinkomen geniet, zal het voordeel van de verhoogde belastingvrije som financieel zo worden geneutraliseerd.
Ook deze wijziging zal later vertaald (moeten) worden in de berekeningsregels voor de bedrijfsvoorheffing.
Toeslagen op de belastingvrije som
Het basisbedrag van de belastingvrije som wordt in een aantal gevallen verhoogd. Deze toeslagen op de belastingvrije som zijn afhankelijk van de gezinssituatie van de belastingplichtige:
- Toeslag voor kinderen ten laste: de toeslagen voor het eerste en tweede kind worden opgetrokken (vanaf het aanslagjaar 2027, in verschillende fasen). Zo zullen de toeslagen voor het eerste en het tweede kind dezelfde zijn tegen aanslagjaar 2030.
- Vanaf aanslagjaar 2030 wordt de toeslag op de belastingvrije som voor alleenstaande ouders enkel nog toegekend aan werkelijk alleenstaande ouders.
- Daarnaast wordt voor andere toeslagen een indexeringsstop ingevoerd. Deze toeslagen worden tijdelijk bevroren, op het indexeringsniveau voor het aanslagjaar 2026. Vanaf aanslagjaar 2031 zullen deze bedragen opnieuw worden geïndexeerd, zonder echter de tussenliggende jaren in te halen. Het gaat dan bijvoorbeeld over de toeslagen voor kinderen ten laste, voor alleenstaande ouders met een of meerdere kind(eren) ten laste… De toeslag op de belastingvrije som voor situaties waarin de belastingplichtige een handicap heeft, zal wel steeds verder geïndexeerd worden.
Het valt te verwachten dat al deze elementen ook hun omzetting krijgen in Bijlage III.
Hervorming huwelijksquotiënt
Het huwelijksquotiënt heeft tot gevolg dat, bij een gezamenlijke aangifte, de partner of echtgenoot met beroepsinkomsten 30% van zijn beroepsinkomsten kan doorgeven aan zijn partner of echtgenoot die zelf weinig of geen beroepsinkomsten heeft. Deze overdracht (enkel voor doeleinden van de belastingberekening) heeft een duidelijk belastingverlagend effect. Ook bij de berekening van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing doorheen het jaar, wordt dan al minder ingehouden bij de betrokken werknemer.
Het huwelijksquotiënt zal worden hervormd:
- Voor gepensioneerde belastingplichtigen (op 1 januari van het aanslagjaar) wordt het regime uitgedoofd gedurende ongeveer 20 jaar. Het percentage van de maximale overdracht (30%) wordt gedurende die gehele periode behouden, maar het maximumbedrag wordt afgebouwd.
- Voor niet-gepensioneerde belastingplichtigen wordt het maximumbedrag van het huwelijksquotiënt gespreid over vier aanslagjaren (aanslagjaar 2027 tot 2030) verlaagd tot de helft. Vanaf aanslagjaar 2046 worden de bepalingen over het huwelijksquotiënt voor de gevallen waarin beide echtgenoten beroepsinkomsten hebben, niet langer toegepast.
Het huwelijksquotiënt zal vanaf aanslagjaar 2027 bovendien niet meer toegekend worden wanneer één van de echtgenoten/partners inkomsten heeft uit een studiebeurs in het kader waarvan sociale rechten worden opgebouwd maar die niet onderworpen is aan de inkomstenbelastingen. Wanneer de klassieke regels zouden gelden zou er, omwille van de hoogte van het inkomen, ook geen aanspraak gemaakt kunnen worden op een (gedeeltelijke) toepassing van het huwelijksquotiënt. Door een fiscale fictie in te voeren, wordt er nu voor gezorgd dat er niet langer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd waardoor de toepassing van het huwelijksquotiënt ook uitgesloten is.
Fiscaalvoordelige overuren: uitgebreide contingenten
Verder bevat het wetsontwerp ook bepalingen rond de fiscaal voordelige behandeling van overwerk. Enerzijds de mogelijkheid om 240 netto vrijwillige overuren te presteren vanaf 1 april 2026 en anderzijds de definitieve optrekking van het aantal fiscaal voordelige overuren van 130 naar 180 (algemeen contingent).
- Netto vrijwillige overuren
We bespraken de nieuwe regeling voor de vrijwillige overuren al in een eerder nieuwsbericht. Vanaf 1 april 2026 zullen 360 (alle sectoren) of 450 (horecasector) vrijwillige overuren gepresteerd kunnen worden:- daarvan zullen er 240 vrijgesteld zijn van RSZ-bijdragen en belastingen,
- op voorwaarde dat het uurloon voor die uren niet hoger ligt dan bij de prestatie van “gewone” uren.
Dit aantal netto vrijwillige uren wordt in mindering gebracht van de regeling waarbij een werkgever in de horecasector 300 (zonder geregistreerde kassa) of 360 uur (met geregistreerde kassa) netto overuren kan laten presteren door zijn voltijdse werknemers.
- Overuren met fiscaal voordeel voor werkgever en werknemer
Naast de overuren waarop geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd is, zijn er ook nog de “klassieke” overuren waarop wel belastingen verschuldigd zijn. Daarvoor kunnen ook fiscale voordelen worden genoten, het gaat daarbij om:- een vermindering van de verschuldigde belasting voor de werknemer, die reeds toegepast wordt bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing, e
- een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in hoofde van de werkgever.
Vanaf 1 januari 2026:
- wordt het basiscontingent van de fiscaal voordelige overuren opnieuw verhoogd van 130 naar 180;
- deze optrekking geldt voor onbepaalde duur;
- de specifieke hogere grenzen die reeds bestonden voor de horecasector en voor de werken in onroerende staat, blijven daarnaast verder bestaan;
- deze voordelen kunnen ook toegepast worden voor (en door) uitzendkrachten, zij volgen dan de grens die van toepassing is voor de gebruiker-werkgever.
Gepensioneerden die blijven werken worden afzonderlijk belast
Vanaf 1 januari 2027 zullen bezoldigingen die gepensioneerden als werknemer (in het systeem van toegelaten arbeid) ontvangen afzonderlijk belast worden aan 33%. Dit is dus een uitbreiding van het bestaande regime van de “gepensioneerden in de zorg” tot alle sectoren.
Dit afzonderlijk tarief zal voorbehouden zijn voor de werknemers:
- die effectief gerechtigd zijn op een rust- of overlevingspensioen, en
- die de wettelijke pensioenleeftijd hebben, of
- die voldeden aan de voorwaarde van een volledige loopbaan volgens de pensioenwetgeving die op hen van toepassing was op het moment van de pensionering.
Momenteel worden deze gepensioneerden nog belast volgens de klassieke regels, op de combinatie van hun pensioen en hun bezoldigingen. Dit heeft negatieve gevolgen voor de belastingvermindering voor pensioenen.
Om werken na pensioen meer lonend te maken zullen deze inkomsten in de toekomst belast worden volgens een vast, afzonderlijk tarief. Het is momenteel nog niet duidelijk of dit tarief ook al in de bedrijfsvoorheffing toegepast zal (moeten) worden. Bij de regeling voor de gepensioneerden worden alleszins de klassieke BV-berekeningsregels toegepast.
Uitbreiding auteursrechtenregeling naar de IT-sector
Retroactief vanaf 1 januari 2026 zullen ook computerprogramma’s onder het fiscale stelsel van auteursrechten vallen. De “IT-sector” was na de laatste hervorming van de auteursrechtenregeling in 2023 buiten het voordelig stelsel gevallen. Maar nu wordt in de fiscale regeling ook naar boek XI, titel 6 (in de plaats van enkel titel 5) van het Wetboek Economisch Recht verwezen om het toepassingsgebied te bepalen. Deze wijziging betreft dus enkel de omschrijving van het materiële toepassingsgebied van deze maatregel. De overige bestaande voorwaarden blijven onverkort gelden.
Belangrijke opmerking hierbij is wel dat er op dit moment nog geen wetgevende initiatieven bekend zijn om deze uitbreiding ook langs RSZ-kant te volgen. Indien dit zo zou blijven, maakt dit verschil in behandeling de praktische toepassing van deze regeling natuurlijk moeilijker en haalt er ook een deel van het financieel voordeel uit. Zeker in combinatie met de aangekondigde schrapping van de forfaitaire kostenaftrek voor auteursrechten, voor alle soorten auteurs indien ze niet over het vereiste Kunstwerkattest beschikken.
Beperking toekenning forfaitaire voordelen van alle aard (VAA)
In het Regeerakkoord werd al aangekondigd dat de regering iets wilde doen aan de overdreven (hoge) toekenning van VAA’s. Zeker forfaitair gewaardeerde VAA’s (zoals de bedrijfswagen) werden daarbij geviseerd. De belastbare basis ligt in dat geval immers vaak veel lager dan de werkelijke waarde van het genoten voordeel. Het gaat dan over de voordelen waarvan de belastbare basis wordt bepaald op basis van artikel 36 WIB 92, artikel 18 KB/WIB 92 en over de aandelenopties die volgens de bepalingen van de Wet van 26 maart 1999 gewaardeerd worden.
Indien de forfaitaire VAA’s meer bedragen dan 20% van de totale belastbare bezoldigingen op jaarbasis, dan wordt de werkgever hiervoor financieel gestraft. De sanctie verschilt naargelang het gaat over werknemers of over bedrijfsleiders:
- Voor werknemers wordt de werkgever belast op een bedrag gelijk aan het bovenmatig deel van de VAA’s. Het tarief bedraagt 7,5%.
- Voor bedrijfsleiders heeft de overschrijding tot gevolg dat de werkgever niet meer kan genieten van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting.
De 20%-grens wordt nagegaan via de fiscale fiche. De werknemers van een werkgever vormen één groep. De bedrijfsleider(s) in de onderneming vormen samen een tweede groep
Minimumbezoldiging bedrijfsleiders
Opdat een vennootschap van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting zou kunnen genieten, is (onder andere) vereist dat aan minstens één van de bedrijfsleiders op jaarbasis een minimumbezoldiging van (momenteel) 45.000 euro wordt toegekend.
Dit bedrag werd ingevoerd eind 2017, maar werd sindsdien niet meer aangepast. Het bedrag wordt dan ook geacht achterhaald te zijn. De regering beslist daarom om deze grens eenmalig op te trekken naar 50.000 euro (voor het inkomstenjaar 2026) én om het bedrag in de komende jaren ook steeds te indexeren.
Hervorming BBSZ
De bijzondere bijdrage sociale zekerheid (BBSZ) is een bijdrage die doorheen het jaar via de RSZ wordt berekend en geïnd, en uiteindelijk via de aangifte in de personenbelasting afgerekend wordt.
Deze bijdrage zal worden hervormd vanaf 2028. De concrete uitwerking hiervan zal in eerste instantie via de instructies van de RSZ moeten gebeuren.
Verhoging van de fiscale werkbonus
De fiscale werkbonus zal aanzienlijk worden verhoogd, met de focus op de percentages die gelden voor de zeer lage lonen.
De werkbonus is een vermindering van de verschuldigde RSZ-werknemersbijdrage. Deze bijdrage leidt dus tot een hoger belastbaar loon. Zonder correctie zou een deel van dit voordeel dus via bijkomende belastingen teruggenomen worden. Daarom werd beslist om ook een “fiscale werkbonus” in te voeren. Dit is een vermindering van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing, berekend als een percentage van de genoten RSZ-werkbonus.
De percentages zullen in de komende jaren als volgt worden verhoogd:
- het basispercentage van (momenteel) 33,14% stijgt naar 35% (in het aanslagjaar 2029),
- het hoger percentage dat geldt voor de heel lage lonen zal in twee fasen worden opgetrokken:
- van 52,54% naar 63% (in het aanslagjaar 2027), en
- van 63% naar 72% (in het aanslagjaar 2029).
Ook het maximum jaarbedrag dat van toepassing is in de personenbelasting zal stijgen.
Voor de toepassing van deze hogere percentages bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing, zal een wijziging aan Bijlage III KB/WIB 92 noodzakelijk zijn.
Bron:
Wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting (DOC 1243/001)